Geen voorgekookt beeld Midden-Oosten

De achtste Biennale des Cinémas Arabes viel samen met de oorlog in Libanon. In de zalen werd gehuild, hysterisch gelachen, en als Hezbollah aan bod kwam, soms geapplaudisseerd....

Wat doe je als er op vijf meter afstand van je deur een muur van tien meter hoog wordt neergezet? Wat doe je als je vrienden meehelpen om die muur te bouwen, omdat ze geen ander werk kunnen krijgen? Wat doe je als stukje bij beetje, onder luid gedreun, je huis in een enorme slagschaduw komt te liggen? Met de enige school en het ziekenhuis aan de andere kant?

Dit is wat de Palestijnse Sumaya en Ali doen: ze nemen hun dochtertje mee om nog een keer naar de zonsondergang boven Jeruzalem te kijken. Ze praten gelaten met de werklui. Ze nemen afscheid van hun buren die ze niet meer zullen zien. Sumaya luistert afwezig naar haar zoontje dat opgewonden over snoep babbelt en ziet uit het keukenraam de muur vorderen. ‘Het is alsof je op reis wordt gestuurd, terwijl je niet weg wilt’, zegt ze.

De korte documentaire Le dernier printemps a Abu Dis (Issa Freij, 2005) is een Palestijns-Zwitserse co-productie die te zien was op de achtste Biennale des Cinémas Arabes in Parijs, vorige week. Het Institut du Monde organiseert dit tweejaarlijkse overzicht van nieuwe Arabische films sinds 1992. Het is het grootste evenement in zijn soort buiten de regio zelf en de belangstelling stijgt gestaag. De biënnale breidde uit naar andere zalen en reist door naar Marseille en Poitiers.

Een bizarre week werd het, door het samenvallen met de oorlog in Libanon. In alle haast (het festival begon tien dagen na het begin van het conflict) zijn drie voorfilms in elkaar gedraaid, die elke film begeleiden. ‘Laten we Libanon onder onze ogen creperen?’ is de pay off. In de zalen wordt gehuild, hysterisch gelachen als humor het wint van ellende (vooral slapstickachtige films vinden bijval), en als in een documentaire Hezbollah aan bod komt, wordt er soms geapplaudisseerd.

Libanon was het gespreksonderwerp, maar op de biënnale is het hele nabije en Midden-Oosten vertegenwoordigd. Van Algerije en Marokko tot Irak en Iran – Israël is nadrukkelijk afwezig. Ook in Saoedi-Arabië, waar volgens de documentaire Cinema 500 km (Abdullah Eyaf, 2006) op bijna 23 miljoen inwoners geen enkele bioscoop te vinden is, worden tegenwoordig films en documentaires gemaakt.

Over ‘de Arabische film’ spreken is trouwens onmogelijk, zo benadrukken de makers keer op keer. Zo heeft Egypte een heel dominant studio- en sterrensysteem, waar met de komst van de kleine digitale camera een onafhankelijker beweging tegenover staat. De jonge Egyptenaar Tamer al-Said maakte bijvoorbeeld in 2005 het korte, absurdistische tweeluik Un Lundi over de opbloeiende passie bij een ingedut stel – een film die hij in drie uur schoot en die hem 120 dollar kostte. ‘Sindsdien word ik op festivals uitgenodigd en kost mijn hotelkamer vaak meer’, lacht hij. Op deze eigenzinnige manier een lange film maken is voor hem absoluut onmogelijk.

In Marokko daarentegen bestaat al heel lang een op Franse leest geschoeide ‘cinema d’auteurs’. De meest bijzondere korte Marokkaanse film was Casa (Ali Benkirane, 2006), een bijna woordloos verhaal over een jongen die met zijn spaargeld naar Casablanca trekt en daar vrijwel onmiddellijk beroofd wordt. Het eenvoudige verhaal wordt geheel gedragen door de jonge Said (een niet-professionele acteur met een oneindig zacht gezicht), het verlopende kleurengamma van de film (van goudgeel naar kilblauw) en de subtiele geluidsband.

Maar het zijn vooral de onafhankelijke documentaires die de meeste indruk maken. Ze geven een beeld van het Midden-Oosten dat voor de verandering nu eens niet door persbureaus is voorgekookt. Ça sera beau – from Beyrouth with love van Waël Noureddine (2005) is een inktzwart, gefragmenteerd stadsportret van Beiroet, waar een aantal jongeren hun kapotgeschoten omgeving en de alom aanwezige militairen met drugs uit hun hoofd proberen te verdrijven. Geweld rolt af en aan met de wetmatigheid van eb en vloed.

Zoals een Libanese journalist, uit Beiroet met een boot gevlucht, op het Parijse terras zegt: ‘Wij weten niet beter en toch went het nooit.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden