Geen provinciaal, nom de Dieu

'Maestro! Come stai?'..

Er zit vanavond niks anders op. Iets misgegaan bij het reserveren. Duizend excuses. Daar zal ongetwijfeld een hartig woordje over worden gewisseld met deze Luigi of gene Salvatore. Mompelend stiefelt Freriks de wenteltrap op. 'Ik eet nooit boven! Als ze je in Parijs bij Brasserie Lipp aan de Boulevard Saint Germain niet kenden, werd je naar boven gestuurd. Dat was de diepste vernedering die je kon ondergaan, zeker als je weet dat de benedenverdieping jarenlang ook dé plek was voor Mitterrand en zijn club.'

Met een been staat hij in Parijs, met het andere aan de oever van het IJ. Parijzenaar onder de Parijzenaars; in Amsterdam de vedette die, afhankelijk van de sekse, blijken van herkenning niet zonder charme, en zonodig verbaal toucheert - zolang de mensen maar niet al te opdringerig worden. Daar heeft hij wel gênante staaltjes van ondervonden. Neem het ze maar eens kwalijk. Jaren geleden loopt hij zelf in het dan nog bestaande Mickery-'zakbroektheater of hoe heet zoiets' te Amsterdam de beroemde Franse acteur Michel Bouquet tegen het lijf. 'Iemand die ik zéér bewonder. Dus ik zeg tegen die man: ”Jezus, wat doet ú hier?” Ik flapte het er uit, voor ik het in de gaten had. Maar die man zei heel afgemeten: ”Dat gaat u niks aan.” Volkomen terecht, natuurlijk. Waarmee ik alleen maar wou zeggen dat ik me zeer wel kan voorstellen dat mensen de neiging hebben je spontaan aan te spreken.'

Driekwart van zijn bestaan in twee werelden levend en tegenwoordig pendelend tussen zijn aangename huis in Parijs-Noord en zijn maisonette in Amsterdam, is de even bejubelde als gelaakte anchorman van het NOS Journaal naar zijn eigen overtuiging geenszins in twee persoonlijkheden afgesplitst. 'Leven in Frankrijk is zo gewóón geworden. Het doet mij denken aan mijn zoon toen hij klein was, en met wie we altijd Frans praatten. Zo gauw we met een Air France-toestel naar Nederland gingen, bleef hij Frans spreken tot Amsterdam. Vlogen we per KLM, dan begon hij automatisch Nederlands te spreken zodra we aan boord gingen.'

In Parijs is Freriks geen buitenlander. Zijn manier van bewegen is die van een Parijzenaar, sans doute. Hij zal er nooit door een taxichauffeur worden besodemieterd. En door Parijse middenstanders voelt hij zich vriendelijker bejegend dan door die in Amsterdam. 'Als ze je kennen, zullen ze altijd vragen hoe het met je gaat. Ik woon sinds vijf jaar ook voor de helft van de tijd in Nederland, maar de slager hier bij mij in de straat heeft nog nooit één teken van herkenning getoond. Niet dat hij me moet herkennen van de televisie, maar gewoon als vaste klant. Hij doet ook elke keer net alsof hij mijn vrouw Lili voor de eerste keer ziet. Bij de visboer ernaast is het overigens ouwe jongens pindakaas.'

Is het verbeelding dat Freriks' francofone inslag manifester wordt zodra hij, vers per TGV uit Parijs aangezoefd, het nieuws presenteert - meer dan aan het einde van zo'n presentatieweek? Op de bank thuis trekt hij zijn sok op en zegt geeuwend: 'Zal best kunnen. Na zo'n week ben ik toch een beetje afgepeigerd. Het kan zijn dat je dan gewoon voorzichtiger wordt.' Het lijkt hem onwaarschijnlijk dat hij zich de habitus van zijn Franse collega's heeft eigen gemaakt. 'Die zijn niet zo opvallend joyeus. Wat wél gebeurt als ik wat langer uit Nederland ben weg geweest, dat ik moet omschakelen. Ook qua taal.'

Wie langdurig in het buitenland verblijft, kijkt wat relativerender tegen de wereld aan, dat staat voor hem vast. Fransen blijven gereserveerder, in Nederland stoort hem het informeel-hurkerige. 'Ik vind het prettig als bij de bakker gewoon meneer tegen me wordt gezegd in plaats van doej en wat mot je.' En: 'In het wuftere, meer grootsteedse Parijs wordt qua kleding een zekere chic van je verwacht. Als mijn vrouw tegen een Nederlandse vriendin zegt: ”Wat ben je koket gekleed”, dan is dat een enorm compliment. Je kleedt je ook om de ander te plezieren, maar dat wordt hier in Nederland vaak als een soort ijdelheid uitgelegd.'

Zelf draagt hij binnenkort weer het uniform van slaapwagenconducteur der Wagons Lits. In Parijs op de kop getikt. Gedurende de boekenweek is journalist Freriks opnieuw de 'steward met de pet', in de theatershow Gare du Nord; het station waar hij als 13-jarige voor het eerst uitstapte (want zoon van een Utrechtse spoorwegman, dus vrij reizen). Bedden opmaken, drankjes bezorgen: jarenlang was dat z'n broodwinning op internationale treinreizen.

Mannen met een eigen coupé vroegen hem steevast om een seintje zodra hij een aantrekkelijke passagiere naar het restauratierijtuig zag lopen. Ooit had je koning Faroek van Egypte die op menige deur liet kloppen met de medeling: 'Zijne majesteit verwacht u met de champagne', zonder dat de majesteit tevoren een woord met de dame in kwestie had gewisseld. 'Als het contact lukte, kreeg de conducteur een fantastische fooi. Iets dergelijks heb ik ook meegemaakt.' Hij woonde bij Lili, de Parisienne die hij had ontmoet op het jazzfestival van Juan-les-Pins. Gemeenschappelijke wc op de gang, jazzmuzikant Johnny Griffin als buurman, lelijke eend voor de deur. Een echte Parijzenaar was je overigens pas als het je lukte op het open achterplat van een wegrijdende bus te springen. Als jochie liep Philip Freriks in Parijs tien meter achter zijn ouders aan om niet voor provinciale toerist te worden versleten. Fietste hij in z'n eerdere theatershow Ik herinner me ook door zijn schrale Utrechtse jeugdjaren ('moeders broodplank, uitgehold door tientallen jaren zorgzaamheid'), in Gare du Nord is het Frankrijk troef, tot en met de Eerste Wereldoorlog aan toe. In zijn gelijknamige boek dat in februari uitkomt ('het is een gevecht om de deadline te halen') zal Freriks er een stevig hoofdstuk aan wijden.

Zojuist bezocht hij op de grens van Loteringen en de Elzas een kitschmonument ter nagedachtenis aan schrijver Alain Fournier, die na zijn klassieker Le grand Meaulnes als luitenant in 1914 een oorlogsmisdaad zou hebben begaan door ongewapende Duitse hospikken een kogel door het hoofd te jagen. Fournier zelf sneuvelde. Pas na 77 jaar zou onderzoek hem van alle blaam zuiveren en de commandant van een andere compagnie als dader aanwijzen.

Als correspondent voor de Volkskrant stond Philip Freriks bij het massagraf, waar de doden keurig in het gelid, hoofd-om-voet en rangsgewijs lagen als ingeblikte sardientjes. 'Het enige dat de tijd overleefd had, dat waren de schoenen. Je zag daar skeletten die allemaal nog hun schoenen aan hadden. Soldatenkistjes met van die spijkers erin. Dat was een krankzinnig gezicht. Eigenlijk heel aangrijpend en ontroerend, maar het leven gaat door, dus we zaten daarna heerlijk aan de nouveau beaujolais.'

De bril is naar het voorhoofd verschoven. Gebarend is Freriks precies zoals de Journaalkijker hem kent: Opperspreekstalmeester van het Wereldcircus die met veel aplomb het Hooggeëerd Publiek de gruwelen van deze planeet als circusnummers voorschotelt. 'Hmm', reageert hij neuspeuterend, hij weet niet of hij zich wel in die kwalificatie herkent. Zegt: 'Je kunt een stuk op een heel droge en oninteressante manier in de krant zetten, maar ik geloof toch wel dat het de bedoeling van ons journalisten is om het zodanig te brengen dat lezers er enig plezier aan beleven, nietwaar? Zo probeer ik het ook bij het Journaal te doen.

'Soms als ik naar het Journaal zit te kijken, merk ik dat ik me verveel. Dat is toch dodelijk? Als je maar een stelletje saaie zinnen achter mekaar plaatst, wordt dat vertaald als: hij zit als presentator niet tussen het nieuws en de kijker.' Met vies gezicht imiterend: 'Je doet het zo neutraaaaal en zo onzichtbaar mogelijk. Dat is in Nederland nogal eens als opperste verheven. Tja. Dat vind ik dus niet goed.'

Namen zal hij niet loslaten. Geen commentaar op veler ideaalbeeld: z'n aangename evenknie Sacha de Boer, die zowel rampspoed als euforie op deze wereld koel, sereen en zakelijk tegemoet treedt, met de gelijkmatigheid van een sneeuwvlakte onder een flauw glorend zonnetje. Geen commentaar ook op de door zijn eigen stemregister gezakte nieuwslezer Jeroen Overbeek en diens guitige oogopslag van: wat vindt u van m'n goeie pak? Geamuseerde blik bij Freriks. Wie naar hem kijkt, ziet theater, zeg ik. Die ziet een performer.

'Het is ook een beetje performance', erkent Freriks, die zeer zeker niet verhelen wil dat hij z'n eigen teksten voorproeft zoals je dat ook wel met een goeie bordeaux doet. 'Headlines maken, een goeie lead, daar zit ik soms ontzettend op te kauwen.' In het verleden leidde dat soms tot wrijvingen met een eindredacteur, die dan stiekem de tekst weer tot aangeleverde staat terugbracht. ('Ik zeg: dat flik je me niet meer.') Maar de tijd van spitsroeden lopen is voorbij. Tegenwoordig, zegt hij, wordt het juist op prijs gesteld als hij redacteuren werk uit handen neemt. 'Maar soms komen er mensen naar je toe die zeggen: ik heb het op jouw manier proberen te schrijven. Dan denk ik: o god, dat is net helemaal verkeerd.'

Gevolg van de methode-Freriks is wél dat gepensioneerd roddelkoning Henk van der Meyden en echtgenote in de Varagids onlangs uitriepen: 'We zijn fan van Philip Freriks.' Tijd om naar een andere betrekking om te zien?

Grijnzend: 'Je weet toch dat hij destijds mijn bijnaam De Hakkelaar heeft bedacht? Dus als hij óm is dan is dat mooi meegenomen, zal ik maar zeggen. De mensen die je graag zien, moet je koesteren. Of dat nou Van der Meyden is of iemand anders, dat maakt niet uit.' Op de website van de Philip Freriks Fanclub (PFF) stelde een kijker al eens voor om 'het kijken naar Philip te doen opnemen in het ziekenfondspakket. Iedereen wordt toch vrolijk van die man (Philip op de buis, dokter in de kluis)'.

Negatieve oprispingen bestempelen hem tot stotteraar, brokkenpiloot, kluns. Hoon als 'Hij spreekt wijnig zinnen zonder te haperen' en 'Daarnaast denkt hij veel te populair te zijn - wat niet eens geappricieerd wordt' lijkt vooral la joie de se voir imprimé te ademen in de graffitisfeer. In het gastenboek van het NOS Journaal krijgt de presentator ervan langs vanwege zijn versprekingen. Hij heft zijn armen en zegt laconiek: 'Als het niet over versprekingen zou gaan, dan wel ergens anders over. De eerste jaren zat iedereen te zeiken over mijn nauwe jasjes. Dáár moet je je niks van aantrekken.

'Ik ben een beetje teleurgesteld over dat gastenboek. Het idee was een mooie discussie op niveau tot stand te brengen. Maar het is vaak een klein groepje mensen dat tamboereert op het zogenaamde linkse complot. Ik ben dan de man die geen woord normaal kan uitspreken. Ja, daar kan ik niet zo veel mee. Misschien wil ik het soms te mooi maken, dat zal wel. Maar ik heb liever mensen die wat risico nemen en dan soms hoog over schieten dan dat ik me verveel.'

Beetje bluf zat er altijd al in. De 16-jarige Philip Freriks die z'n buurman vroeg waarom Het Nieuw Utrechts Dagblad niks aan roeien deed. De buurman was er chef-sport. Op een vooroorlogse machine tikte moeder Freriks dus de eerste stukjes van haar zoon. Tot zijn verbazing kwamen ze onveranderd in de krant. Bij de Utrechtse editie van Het Vrije Volk mag hij jazzkritieken schrijven, met als gevolg dat een boze pianist met een loodzware bandrecorder de redactietrap komt op gestommeld om de reactiechef ('die helemaal niet wist wat jazz was') ervan te overtuigen dat die ellendige Freriks hem ten onrechte had afgezeken.

Parijs was 'de vlucht vooruit' uit het benauwde Nederland, na een jeugd die bepaald werd door de zondagse gang naar de begraafplaats waar z'n oudste broer lag die in 1945 in het raam van zijn grootouders door een verdwaalde kogel of door een sluipschutter was geraakt. Via het feest van de studentenrevolte in mei '68 wordt hij correspondent, eerst van Het Parool. En verwerft met Vara's Achter het Nieuws en Haagse Kringen de status van Bekende Nederlander.

Hij weet zich er verre te houden van de ideologische haarkloverijen. Ja, hij is van het harmoniemodel. 'Ik hou niet van ruzie, al kan ik soms hard uit de hoek komen. Ik ga alleen de confrontatie aan met mensen met wie ik wat heb. Anderen vind ik niet de moeite waard om ruzie mee te hebben.'

Blootgeven zal hij zich niet snel, en op de vraag of zijn veelgeprezen charmes nog weleens ten dienste worden gesteld van vreemdgaan, zet hij kalm zijn glaasje wit neer. 'Jezus man, het grote jagen hebben we nou wel gehad.' In tegenstelling tot Jan Mulder, die zijn meerkennigheid op dit vlak eens gelijkstelde aan het gezamenlijk nuttigen van een taartje, zal Freriks aan het eufemisme patisserie geen woorden vuilmaken. 'Als ik leeftijdgenoten zie die in een tweedelegsituatie zitten, dan denk ik: mijn god, daar moet ik niet aan denken. Lili zou ontzettend graag kleinkinderen willen. Maar ik zou tegen m'n zoon zeggen: rustig aan jongen, we hebben alle tijd.

'Volgende zomer word ik 60, maar ik heb absoluut niet het idee dat ik die leeftijd bereikt heb. Ik heb vaak het gevoel dat ik nog als 17-jarige op de Steenweg in Utrecht voor Het Vrije Volk bezig ben en dat Jan de Vos die mij het vak leerde, tegen me bromt: ”Die zin moet andersom.” Ik ben net als mijn ouders, die hadden met elkaar afgesproken dat ze het niet over sterven zouden hebben. Ik leef heel sterk in het hier en nu.' Hetgeen hem niet belet om zich te verheugen op een snoepreisje naar Thailand, waar hij de Nederlandse enclave op een nieuwe versie van het nationaal dictee zal tracteren. Przewalskipaard in Bangkok.

'Als ik optreed, zijn dat triomftochten. In mijn mini-theatershow Ik herinner me zeg ik ergens: ik herinner me mijn calamiteuze debuut bij het Journaal. Ik herinner me de aardige brieven die ik niettemin kreeg; meestal van dames, altijd hoogbejaard. Nou jongen, gróót applaus.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden