Poëzie De 37e Nacht

Geen dichter die nog van het podium zal vallen

Beeld Deborah van der Schaaf

Eén avond, twintig dichters op het podium: de formule is vertrouwd, de line-up zeker niet. Wat valt er te verwachten op de 37ste Nacht van de Poëzie in Utrecht? En waarin schuilt het succes?

Wie weet nog dat de Zangeres Zonder Naam Lucebert zong op de Nacht van de Poëzie? De dichter zelf zou pas jaren later het podium in Utrecht betreden, maar Mary Servaes zong er in 1983 zijn ‘Soldatenmoeder’ voor het tweeduizendkoppige publiek: ‘zij hebben haar haar hart geroofd,/ haar lichaam leeg en ook haar hoofd/ zij slaapt met stenen in haar bed/ en als ze opstaat is ze als dood.’ Volgens de Volkskrant was het een adembenemend optreden, ‘iedereen verdrong zich rond het wonder van kunst dat hier ten tonele werd gevoerd’.

Het was de derde Nacht die in Nederland werd georganiseerd en het evenement had al een behoorlijke voorgeschiedenis. Nadat in 1966 Poëzie in Carré had plaatsgevonden, begon organisator Guido Lauwaert in België met zijn Nachten van Poëzie – festijnen van chaos, wilde dronkenschap en rellen. De eerste keer viel een Nederlandstalige poëzieavond in het Franssprekende Brussel niet echt in goede aarde, de tweede keer (Gerard Reve trad op in nazi-kostuum) was halverwege de avond het geld op en konden de dichters fluiten naar hun gage omdat de entree was gebaseerd op vrijwillige bijdragen en tja, Lauwaert kon er ook niets aan doen dat de Vlamingen zo weinig overhadden voor poëzie.

Dat op beide avonden het boegeroep vanuit het steeds lammere publiek per uur luider werd en de dichters soms te dronken waren om op hun benen te staan, vond Lauwaert niet zo’n punt. ‘Je moet niet over-organiseren, ik hou van georganiseerde chaos. Chaos is een noodzakelijk, emotioneel element.’ Ook de derde Belgische avond werd een geweldige rotzooi. Johan Joos haalde een banaan uit zijn broek, Jacob Groot gooide zijn bundels het publiek in en de Vooruit kopte daags erna: ‘Poëzienacht: op de poëzie na uitstekend.’ Voor de vierde ten slotte zegde W.F. Hermans op het allerlaatst zijn optreden af na een rel rond zijn uitspraken over apartheid.

Nee, dan Nederland. Daar namen Vredenburg-programmeurs Peter Smids en Anneke van Dijk in 1980 het Nacht-initiatief over en vanaf het begin was alles gestroomlijnd – de enige wanklank van de eerste aflevering was Freek de Jonge als presentator. ‘Een typische beginnersfout om Freek zo’n Nacht te laten presenteren’, zei Van Dijk later. Maar ze wist dat jaar meteen: dit is voor herhaling vatbaar.

Vele verrassingen

Waar chaos aan de wortels lag, werd de Nacht al gauw kalm, hoogwaardig en goed georganiseerd. De laatste keer dat er een piepklein relletje ontstond was in 1996, toen twee niet-genode dichters het podium besprongen. Maar verrassingen waren er jaar na jaar genoeg. Er was het jaar dat Maarten Biesheuvel een Russisch lied zong met aan de piano ‘ene dr. mr. ing.’ en dat Schierbeeks ‘Roosjes van papier’ volgens een recensent op dubbele tong naar buiten kwamen rollen. Er was het jaar dat Annie M.G. Schmidt voorlas met die verrekijker op haar toch al forse bril en het jaar dat de frêle Hanny Michaelis tot haar eigen ontreddering de zaal doodstil kreeg.

Beeld Deborah van der Schaaf

Terugkijken op de roemruchte jaren is kijken naar een Dead Poets Society: Lucebert, Hugo Claus, Fritzi Harmsen van Beek, Gerard Reve, Annie M.G. Schmidt, Herman de Coninck, Johnny ‘de Selfkicker’ van Doorn, Rutger Kopland, Gerrit Komrij – allemaal dood. Tegelijkertijd is het een feest om terug te vinden wat er al die jaren allemaal werd voorgelezen. Bernlefs ‘Prachtig is de onsterfelijkheid/ maar wat doen wij in de tussentijd?’; H.H. ter Balkt met zijn ‘Aan de vervaardigers van ondeugdelijke boterhamworst’: ‘Vervaardigers!/ Vervaardig toch beter, breidel toch niet’; Judith Herzberg met haar geestige, net brommerige verzen, direct bruikbaar voor het tweeduizendkoppig publiek:

‘Er is plastic dat ritselt 
en er is plastic dat vreselijk ritselt. 
Zulk plastic heeft de oude man
die achter in de zaal zit bij zich.’

Het geheim van de Nacht was behalve zijn marathon-karakter (acht uur poëzie! ‘Na drie dichters heb ik al hoofdpijn’, zei dichter-criticus Piet Gerbrandy ooit) de unieke achthoekige zaal die tot de nok toe werd gevuld met één stem, en programmeur Anneke van Dijk, ‘Moeder van de Nacht’. Toen zij in 2007 vertrok terwijl Vredenburg de deuren sloot vanwege verbouwing, raakte de Nacht in modderig vaarwater. Allertrouwste bezoeker Ingmar Heytze (die al als kind ieder jaar kwam, samen met zijn moeder en de fles port in haar tas) organiseerde edities in Vredenburgs tijdelijke locatie de ‘Rode Doos’, in de Stadsschouwburg en de Jaarbeurs, maar de wisselende locaties bevielen slecht.

Terug in Vredenburg

Na zeven jaar in de diaspora keerde het evenement terug in zijn achthoekige universum. Vredenburg heropende, diverse Utrechtse literaire organisaties waren samengegaan in het Literatuurhuis en Michaël Stoker, daar directeur, vroeg zich af: gaan wij nu de Nacht organiseren? Ja, besloot hij. Maar wel op oorspronkelijke voet. Niet opnieuw het wiel uitvinden. Anneke van Dijk moet terug in de redactie en de formule blijft als voorheen: twintig dichters, een handvol entr’actes, twee presentatoren.

‘Het was nogal een klus om Anneke van Dijk opnieuw binnen te halen. Ze vond zelf dat haar taak er wel op zat, maar haar ervaring was voor mij belangrijk. Eindeloos heb ik op haar ingepraat.’ Het lukte. Ook presentator van het eerste uur Piet Piryns keerde terug, nu met Ester Naomi Perquin als medepresentator. Beproefde tradities bleven behouden: iedereen kan de hele avond in- en uitlopen, de dichter die vorig jaar afsloot is de dichter die dit jaar begint en verder is de volgorde geheim.

Het werkte, zij het niet meteen het eerste jaar. Een maand voor de eerste hernieuwde Nacht was nog geen kwart van de tweeduizend kaarten verkocht. ‘Toen heb ik echt een plan moeten maken’, zegt Stoker. ‘Ik heb Rufus Wainwright een brief geschreven, met een foto erbij van toen zijn vader, Loudon Wainwright III, optrad tijdens de Nacht van 1992. Zou hij niet ook een keer willen komen? Hij wilde. De zaal kwam vol. Inmiddels is het weer ieder jaar uitverkocht, nog voordat er namen van entr’actes naar buiten zijn gebracht. Gewoon op de dichters en de reputatie.’

Hoewel die reputatie stevig is, werd het programma bepaald niet altijd goed ontvangen. Waar de ene krant ‘in vervoering’ was geraakt, sprak een andere van een ‘aanslag op het uithoudingsvermogen’ en haast ieder jaar was er wel weer iemand die schreef hoe braaf het was – ‘Vroeger viel er nog weleens een dichter van het podium’.

Vroeger was alles beter, ja, tuurlijk. In sommige opzichten niettemin echt: in 1996 schreef het Utrechts Nieuwsblad in zijn bespreking van de Nacht: ‘Als je hoort dat een fenomenaal dichter als Leo Vroman in een eerste oplage van 2.500 op de markt wordt gebracht, krijg je als liefhebber toch de neiging het hoofd zachtjes wenend in de schoot te leggen.’ Zachtjes wenend! Vrijwel alle dit jaar optredenden zouden een gat in de lucht springen met zo’n beginoplage.

Beeld Deborah van der Schaaf

De vroeger gebruikelijke schamperheid ten aanzien van een podium vol optredende dichters is allang weg. Voor de meeste dichters is voorlezen deel van hun professie geworden, zowel vanwege de teruggelopen verkoop als door de enorme toename van poëziepodia. Wat waarschijnlijk blijft, is het gemopper van de diehard-poëzielezers, -makers en -uitgevers: kochten deze tweeduizend mensen nou ook maar eens regelmatig een bundel.

Nieuwe namen

Op 28 september vindt de 37ste editie plaats. Nu een flink deel van de oude dichtersbent is verdwenen, springt een waaier aan nieuwe namen tevoorschijn. Véél meer vrouwen dan vroeger, een klein beetje meer kleur, aandacht voor spoken word en dus niet alleen voor papieren poëzie, en opvallend veel beginnende dichters. Drie debutanten dit jaar en drie dichters met pas één bundel op hun naam. Spannend, want zoals presentator Piet Piryns ooit zei, zijn debutanten gevaarlijk voor het programma: die gaan altijd te lang door. ‘Zodra ze het eerste applaus krijgen, denken ze: aha, ze vinden het mooi. En dan weten ze van geen ophouden meer.’

Maar de laatste jaren bleven vrijwel alle debutanten binnen de tijd van tien minuten en waren het juist de gelauwerden die uitliepen, Ilja Leonard Pfeijffer op kop met ruim zestien minuten in 2016. En uitzonderingen bevestigden ook vroeger al de regel: toen Hagar Peeters voor het eerst optrad – in 1997, nog vóórdat haar debuut was verschenen – was haar optreden sterk en compact. Piryns citeerde de Volkskrant  van een jaar eerder door haar werk te kenschetsen als ‘een soort hiphop voor bij de afwas’, niet wetend dat diezelfde Nacht ook een oudgediende zou gaan rappen, de 77-jarige Louis Lehmann met de regels ‘maak het maar/ maak het maar/ maak het maar bebabbelbaar’.

Dat was een mooi jaar – een van de vele mooie. Was het in 1999 of in 2000 dat Hugo Claus voor de tweede keer zijn hele reeks ‘Nu nog’ las? Galmend, temend, lamenterend en zuchtend voeten gevend aan zijn eigen ‘Nachtregel’ van een paar jaar eerder: ‘Hoe dichter de dichters bij hun sterven geraken/ Des te grimmiger kermen zij naar de sterren.’

Of het dit jaar grimmig of bebabbelbaar wordt, gaan we zien. De gevarieerde line-up met onder anderen Breyten Breytenbach, Esther Jansma, Ellen Deckwitz en Lévi Weemoedt, de vitale, springerige Maud Vanhauwaert, de theatrale Tom Lanoye en de raadselachtige (en geestige!) Nachoem Wijnberg zou er weleens toe kunnen leiden dat het hele gebied daartussen ook voorbijkomt.

Hagar Peeters: De schrijver is een alleenstaande moeder

Na de overvloed van ‘moederboeken’ uit de afgelopen Boekenweek publiceert Hagar Peeters (1972) een dichtbundel over moeders die er alleen voor staan, zoals ook dichters er alleen voor staan: een taal sprekend vanuit hun diepste binnenste die niet zomaar iedereen verstaat. Peeters’ vijfde bundel is geen luchthartige. Waar ze begint met een evocatief en bij vlagen teder slaaplied, duikt al gauw het donker op, in het ‘kerfje zwart’, in de dag die voorkomt uit ‘het slinken van het donker’.

Donker is er veel in deze bundel, donker en opgesloten. Bij monde van trefzeker gekozen personages – een belaagde vrouw in de bus, de dichters Sylvia Plath en Ingrid Jonker, de dochter van Josef Fritzl – wordt een wereld geschetst van onvrijwilligheid en verdrukking. Steeds wordt gehaakt naar het licht en de buitenwereld, maar grijpbaar wordt die niet. Ook de moeder aller moeders, Maria op een schilderij van Memling, zit opgesloten: in haar geschilderde verschijning van waaruit ze iedereen bekijkt die haar bekijkt. Dan hebben de vrouwen op de Wallen nog meer kans op ontsnapping: ‘de lonkende met touwtjes bij elkaar gehouden vrouwenlijven die als de strikjes losgingen uit elkaar zouden vallen/ over de opbollende kinderkopjes/ onder de blote uithangborden/ achter de gesloten gordijnen/ tegen de betikte ruiten.’

De schrijver is een alleenstaande moeder wordt voortgestuwd vanuit de noodzaak het binnenste van alleen-zijn, opsluiting en verlating te onderzoeken. Ook het alleenstaand dochterschap komt aan de orde – de vader die ‘moest worden binnengeharkt/ en gewend gemaakt aan de dochter in huis’. Aan het einde keren we terug naar de moeder van de ik, wier oranje bankstel als een prikkelend motief door de bundel steekt, want ‘een vlinder kan niet anders dan de cocon weervinden’. Een huiveringwekkende conclusie, want nooit keert een vlinder terug naar haar cocon.

Ellen Deckwitz: Hogere natuurkunde

Ellen Deckwitz (1982), die onlangs nog de toespraak hield bij de herdenking van de Japanse bezetting van Nederlands-Indië, dook voor haar nieuwe dichtbundel Hogere natuurkunde in het Indische verleden van haar familie, en vooral van haar grootmoeder. ‘Op een avond begon je te hijgen’, begint de bundel, ‘je greep naar je borst en riep dat je moest blijven ademen omdat ze anders hadden gewonnen.’

‘Ze’: dat zijn de Japanners, nergens bij name genoemd, maar de veroorzakers van diepe wonden die de grootmoeder meedraagt en waarvan ze flarden toont aan de kleindochter – de derde generatie. De generatie die meer te horen krijgt dan de tweede, waarin leed vooral verzwegen werd en weggemetseld achter stilte. In de vele witregels en witruimtes van deze bundel gonst het onzegbare, en ook wat de kleindochter leert moet stilgehouden worden – ‘(Niet tegen je ouders zeggen kleintje)’.

De stem van de ik en de tegenstem van de grootmoeder vertellen samen een verhaal in gecondenseerde, stugge fragmenten. De grootmoeder geeft overlevingstips; de ik doet in onderkoelde maar broze taal verslag van haar reis naar het land dat ze alleen kent uit verhalen over moesson, muskieten, verkrachters, struikgewas, zweepslagen en honger. Gaandeweg wordt duidelijk hoe de pijn van de grootmoeder én van de ouders zich op verraderlijke wijze een weg boort in leven en gemoed van de kleindochter. Op haar beurt leert die lijdzaam gruwelijkheden verdragen: ‘Soms föhnde ze mijn hoofd op de allerheetste stand, zei dat het zo voelde/ wanneer je vijf uur lang voor een vlag moest knielen.’ Het mist zijn uitwerking allemaal niet en Deckwitz probeert de demonen zo kaal mogelijk te tonen: ‘Soms schijnt de zon/ en beginnen mijn vingers te trillen./ Ik denk dat dat de echo van genen is.’

Drie debuutbundels

Rosa Schogt (1980) debuteerde in augustus met Dansen te ontspringen, zelfverzekerde en uitgesproken poëzie, vol durf, humor en talige doelgerichtheid. Schogt weet wat ze haar gedichten binnensleept (‘In de gang hing een bericht/ van de bewoner: Niets aan hangen/ Deze kapstok is hoerig en kut’), kent haar klassieken (Odysseus, J.C. Bloem, Laurence Olivier) en legt uit wat schrijven is – ‘Nabokov/ kan zich permitteren steeds het meest complexe,/ haast verheven, synoniem te kiezen, maar jij niet.’ Er is elastische vorm, er zijn verrassende perspectieven en personages en een fraaie vondst is het gedicht waarin een oma met trots een vrije seksuele moraal viert in plaats van dat ze haar taaie, nette leven leeft: ‘Mijn oma zou zo nu en dan verliefd zijn op een man/ die weinig van haar wilde, met een ander slapen/ puur uit wraak.’

Ferme, constaterende titels hebben de gedichten van Asha Karami’s bundel Godface: ‘bloeiende regenwouden en onweersbuien in videoclips’; ‘god is geen seksist’; ‘sprite is slappe cola’; ‘donuts zijn niet halal’. De wereld van haar gedichten is grootsteeds en intuïtief, de vorm is los, overwegend, metamorfoserend. Karami werd in 2018 tweede op het NK Poetry Slam en maakte met Johan van Dijke filmpjes waarin ze gedichten voorleest bij efemere, zacht bewegende beelden. Zelf noemt ze haar poëzie fragmentarisch (‘verandering./ geen zoekopdracht.’) en dat zit ook in hoe haar dichtende ik zichzelf opvoert: ‘ik had me voorgenomen dat drie/ van mijn vijf gezichten op elkaar zouden lijken.’

Van Iduna Paalman (1991) verschijnt De grom uit de hond halen, opgebouwd uit beelden die het dagelijks bestaan proberen te vangen. Gestapelde associaties die onderzoeken wat zich maar aandient: een man, een middenberm, een kille scheiding, alternatieve geneeswijzen, een zolder met een hemelbed als geruststelling, de morning after, drones, honden, Kafka en toekomst, veel toekomst. Die wordt afgetast in vragen en soms in taal – ‘kiemen en ontkiemen/ betekent hetzelfde’. Vooral in haar beelden schiet Paalman soms raak: ‘Uit een vrouw verwijder ik het weggaan, uit het kind/ de vroegtijdige verlating’.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden