GEEN BONT, MAAR SCHAAMHAAR OP DE STEM Gemankeerde bloemlezing van 75 jaar jazzkritiek

HET BOEK Reading Jazz van Robert Gottlieb is groot en zwaar als een baksteen, en voegt ongeveer evenveel toe aan onze kennis van de jazzliteratuur als een baksteen aan een gebouw....

Met zijn 1060 pagina's lijkt Reading Jazz een standaardwerk. Een verzameling als deze zou kunnen dienen als een stapsgewijs overzicht van de belangrijkste stromingen in de jazz; het meest invloedrijke, prikkelende of literaire proza over het onderwerp zou hier bijeen kunnen staan, met stukken die aloude mythes bevestigen of ontkrachten en stukken die laten zien waar de kritische discussies die de jazz nu en dan teisteren over gaan.

Het boek wil dat ook allemaal bieden, maar schiet keer op keer tekort. Het maakt eigenlijk alleen duidelijk dat er soms heel goed over jazz wordt geschreven, vaak middelmatig, en dat het verder een zootje is van onjuiste vooronderstellingen, gebrekkige logica, verhaspelde feiten en slecht luisteren.

In Amerika en Europa duurde het tot 1930 voordat er in de algemene pers door een enkeling met inzicht over jazz werd geschreven. Je zou kunnen zeggen dat de publicatie van Jazzmen*, onder redactie van Frederic Ramsey en Charles Edward Smith, het begin betekende van een volwassen, Engelstalige jazzliteratuur. Het boek was een poging de begindagen van de jazz te reconstrueren, op basis van interviews met mensen die erbij waren geweest; het was de directe inspiratie voor een New Orleans-jazzrevival, en het zette mede de standaard voor het interview/portret.

In de jaren veertig werd de jazz meer en meer beschouwd als kunst, en degenen die erover schreven stelden hun doelen dan ook steeds hoger. Twee hoogtepunten verschenen in 1946: de eerste (en bepaald niet slechte) biografie van Duke Ellington, door Barry Ulanov*, en een ambitieuze algemene geschiedenis die aandacht besteedde aan de Afrikaanse oorsprong van de jazz, Shining Trumpets* van Rudi Blesh. Maar het eerste handboek over de geschiedenis van de jazz, een generatie later nog steeds door studenten gebruikt, verscheen pas in 1956: The Story of Jazz*, door Marshall Stearns.

In de jaren vijftig zocht men zijn zaakjes steeds beter uit. De grote oral histories waren Mister Jelly Roll (samengesteld uit de op band ingesproken herinneringen van Jelly Roll Morton) en Hear Me Talkin' to Ya, een panoramische saga over de ontwikkeling van de muziek, verteld in korte citaten die door Nat Hentoff en Nat Shapiro uit een veelheid van bronnen aan elkaar waren geflanst. Ook het niveau van de musicologische analyse ging omhoog. Het onbesuisde en polemische Jazz: Its Evolution and Essence* van de Franse criticus André Hodeir werd in het Engels vertaald; hij had het vaak bij het verkeerde eind, maar hij was niet bang om de technische kant op te gaan. Gunther Schullers zorgvuldige analyse* van Sonny Rollins' thematische improvisaties, in Jazz Review in 1958, werd beroemd toen Rollins bekende dat hij zich daardoor al te zeer bewust werd van wat hij deed.

Nat Hentoffs The Jazz Life* uit 1961 was een interessante sociologische benadering van de wereld van de musici. Maar daarmee was aan de mythe-vorming nog geen einde gekomen. De getuigenissen van verschillende zielen in Robert Reisners Bird* hielpen een handje bij de transformatie van Charlie Parker van mens tot legende.

Meer eigentijdse controversen eisten de aandacht op. In Down Beat viel John Tynan* de 'anti-jazz' van John Coltrane aan, waardoor een eindeloze discussie op gang werd gebracht. Mede door Black Music* van Leroi Jones/Amiri Baraka kreeg de avant-garde een historische dimensie. Later kwam er een samenhangende musicologische verdediging, in Free Jazz* (ook vertaald) van de Duitse geleerde Ekkehard Jost. Zijn benadering is wel te vergelijken met die van Schuller in diens belangwekkende studies Early Jazz* en The Swing Era*.

Naarmate de literatuur volwassen werd, vonden meer en meer jazzmusici uitstekende biografen. Richard Sudhalter en Phillip Evans publiceerden in 1974 een tot in de puntjes uitgewerkte levensbeschrijving* van kornettist Bix Beiderbecke; later schreef John Chilton een meesterlijk boek* over Sidney Bechet*, de beste van Chiltons diverse hoogstaande biografieën. Auteurs verdiepten en verbreedden hun onderzoeksterrein, met gedetailleerde regionale geschiedenissen van de jazz in Engeland*, Rusland*, Kansas City*, Los Angeles* en Seattle*.

We laten natuurlijk een hoop weg, net als Gottlieb: van geen van de hierboven met een asterisk aangeduide auteurs of onderwerpen is iets te vinden in Reading Jazz.

Veel van het opgenomen materiaal is zwak. Een van de stukken - een kennelijk niet geredigeerde transcriptie van een interview met de liedjesschrijver Johnny Green - heeft weinig met jazz te maken, en meer met typen dan met schrijven. Twee belangrijke jazzdiscussies worden slechts van één kant belicht. Alleen Stanley Crouch aan het woord laten over de elektrische periode van Miles Davis of Leonard Feather over de bebop-dixielandvete van de jaren veertig (mede door hem op gang gebracht) is hetzelfde als Richard Nixon vragen om een evenwichtig oordeel over Ho Chi Min.

Van sommige auteurs krijgen we ook teveel, zoals van de rare Engelsman Benny Green, die in zijn essay over Billie Holiday tussen het gratuite kleineren van Ella Fitzgerald en Sarah Vaughan ook nog de tijd neemt om ons te vertellen dat Billie Holiday niet in aanraking kan zijn gekomen met de blues 'omdat er geen katoenvelden waren in Baltimore' - alsof a) de blues van de katoenvelden kwamen (dat is niet zo, hoewel ze mede zijn afgeleid van de negentiende-eeuwse field holler) en alsof b) zwarten niet (met duizenden tegelijk) van het zuidelijke platteland naar Baltimore waren verhuisd.

We hebben veel te weinig van Stanley Dance, die meer heeft betekend voor de oral history in de jazz dan wie ook; of van de uitzonderlijk grappige Eddie Condon, vertegenwoordiger van een complete school van vroege blanke jazzmusici die trots waren op hun literaire flair, een school die bij Gottlieb te weinig aan bod komt.

De samensteller heeft de merkwaardige neiging onopvallende stukken te kiezen van zeer goede critici zoals Otis Ferguson en Gene Santoro, en middelmatige fragmenten uit autobiografieën die vaak veel suggestiever (Sidney Bechet), hilarischer (Willie the Lion Smith) of psychologisch interessanter (Charles Mingus) zijn.

We krijgen een ontzettende hoeveelheid materiaal dat herkauwd wordt uit oudere en betere bloemlezingen: Hear Me Talkin' to Ya, The Jazz Makers, The Art of Jazz, Jazz Panorama, Jazz from the Gutter, A Lester Young Reader en The Duke Ellington Reader - en natuurlijk uit de eigen bloemlezingen van diverse auteurs. Nergens blijkt dat Gottlieb muziektijdschriften van na 1960 heeft ingekeken: waar is Rafi Zabors onvergelijkbare portret van Charlie Haden uit Musician?

Er is hier niets te vinden van Ira Gitler, met afstand de meest productieve chroniqeur van de hardbop in de jaren vijftig, of van Greg Tate, die met zijn kiene Afrikaans-Amerikaanse stijl de beste jonge criticus is (en wiens fraai geformuleerde verdediging van de elektrische Miles veel precieser is dan de persoonlijke aanval van Crouch), of van gewetensvolle verslaggevers/interviewers als Max Jones, Howard Mandel en Bob Blumenthal.

Er is ook niets te vinden over een controversiële figuur als Ornette Coleman, over Albert Ayler of Gil Evans (behalve zijdelingse beledigingen van Crouch), niets over musici van buiten Amerika (behalve Django Reinhardt), niets, tenslotte, over de recente, jarenlange kritische veldslag die is uitgevochten in New-Yorkse kranten over de vraag of jazz ruim gezien moet worden of juist beperkt, een discussie voor of tegen vernieuwing. Wie Gottlieb leest, zou denken dat de laatste belangrijke discussie ging over de kwaliteit van Clint Eastwoods film Bird.

Het boek heeft geen register, wat des te schandaliger is omdat stukken van dezelfde auteur of over dezelfde musici soms honderden pagina's uit elkaar staan. Er staan veel zetfouten in, verkeerd gespelde namen en titels - sommige overgenomen uit de originelen, sommige nieuw in deze editie.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat er ook fantastisch materiaal te vinden is, soms tamelijk obscuur: de uitgebreide memoires van pianiste Mary Lou Williams over de periode waarin ze op tournee was met swingorkesten, en over het ontstaan van de bebop; het geestige verhaal van saxofonist Paul Desmond over een concert van het Dave Brubeck-kwartet voor een volkomen verkeerd publiek; de nuchtere reportage van Lilian Ross in de New Yorker over de communicatiestoornis tussen musici en de beau monde tijdens het eerste Newport Jazz Festival.

En ook zijn er enkele echt klassieke artikelen, zoals dat van Dan Morgenstern, die de vloer aanveegt met de kwaadaardige Louis Armstrong-biografie van James Lincoln Collier; of dat van Whitney Balliett, die Pee Wee Russell portretteert als een trieste pantoffelheld.

Slechte stukken zijn soms op een amusante manier veelzeggend. Carol Eastons portret van Stan Kenton zegt alles over blinde heldenverering. Het maakt niet uit over wie Gene Lees eigenlijk schrijft, want zijn stukken gaan altijd over zijn eigen, absoluut cruciale rol bij de gebeurtenissen waar hij het over heeft. (Zijn portret van Paul Desmond is leuker en minder dom dan de twee stukken die hier zijn opgenomen.) Artie Shaw, die zichzelf beschouwt als een intellectueel (Gottlieb noemt hem 'briljant' en 'prikkelend') doet meer denken aan de zelfhulp-goeroe Anthony Robbins: 'Maar het punt is dat een ''break'' niet meer betekent dan een kans voor een man om zich te bewijzen', de cursivering is van hem. En alleen een idioot zou schrijven dat de stem van Connie Boswell 'een zuiver vaginaal instrument is. . . Dat is geen bont op haar stem, lieffie, dat is schaamhaar'. Dat is Will Friedwald, een auteur die Gottlieb van harte aanbeveelt.

Gezien het onevenwichtige karakter van proza over jazz, zou een boek als dit aan jazzliefhebbers duidelijk moeten maken hoe ze kritisch kunnen lezen. Maar pas in het laatste essay uit het boek, van platenproducent Orrin Keepnews, worden de critici ter verantwoording geroepen, al is het dan om het eigen belang te dienen. Verder snapt Gottlieb kennelijk niet dat wat hij als autobiografie presenteert duidelijk het werk is van een ghost-writer of een mede-auteur. (Dit moet Cab Calloway voorstellen: 'Tegen het einde van het jaar (1929) hadden beleggers meer dan $ 40 miljoen verlies geleden en waren er meer dan 6 miljoen mensen werkeloos; 5000 banken moesten sluiten en 32.000 bedrijven gingen failliet.')

Gottliebs zeer korte inleidingen bij de gekozen stukken zijn van een bijna algehele nutteloosheid. Hij is vaak niet in staat het grote verband aan te geven, of om datgene waar we over gaan lezen te dateren, of om in een bepaald fragment zwakke plekken en simpele fouten aan te wijzen - waarvan je in de meeste gevallen mag aannemen dat hij ze niet heeft ontdekt.

'De jazzliteratuur heeft vele kwaliteiten, maar humor hoort daar niet duidelijk bij', zegt Gottlieb in een inleiding. Zijn eigen boek laat zien dat het tegendeel waar is. Uit die enkele zin blijkt dat Gottlieb niet weet waar hij over praat. Hij is niet de man om een overzicht van de beste jazzliteratuur samen te stellen. Zo'n boek zou hij moeten lezen.

Vertaling Frank van Dixhoorn

Robert Gottlieb (red.): Reading Jazz: A Gathering of Autobiography, Reportage and Criticism from 1919 to Now. Pantheon, import Van Ditmar; 1068 pagina's; ¿ 76,15.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden