Geen alternatief voor de democratie

In een rijke studie legt Edmund Fawcett uit waar het liberalisme vandaan komt en wat liberalen bindt, hoe verschillend ze ook zijn.

Als je arbeiders en vrouwen uitsluit van deelname aan de politiek omdat ze te laag zijn opgeleid, schreef markies de Condorcet in 1790, een jaar na het begin van de Franse Revolutie, hou je alleen nog maar gepromoveerde staatsrechtgeleerden over. Het was Condorcets sarcastische kritiek op de opvatting onder liberalen dat het uitoefenen van het kiesrecht voorbehouden moest zijn aan mensen met voldoende opleiding en bezit.

Toch wisten die behoudende liberalen het algemeen kiesrecht nog een eeuw lang tegen te houden, vertelt Edmund Fawcett, oud-redacteur van The Economist, in zijn fascinerende studie Liberalism. Deze liberalen, afkomstig uit de gegoede middenklasse, waren namelijk erg bang dat het volk hun hoge belastingen zou opleggen om allerlei overheidsvoorzieningen te financieren.

John Maynard KeynesBeeld © ClassicStock/Corbis

Strategieën

Toen het eenmaal zover was, waren er twee strategieën om de directe democratie buiten de deur te houden. In de eerste plaats representatie: het delegeren van de zeggenschap aan een parlement van gekozen volksvertegenwoordigers, dat liefst nog werd aangevuld met een senaat van aanzienlijken die indirect werd samengesteld. En in de tweede plaats bureaucratisering: het uitbesteden van het landsbestuur aan gekwalificeerde beroepsambtenaren. Voor beide strategieën was veel te zeggen: de representatie zorgde ervoor dat ook minderheden hun stem konden laten horen en de bureaucratisering garandeerde de betrouwbaarheid van overheidsinstellingen.

Voor Fawcett is het liberalisme een politieke praktijk die rond 1815 kwam bovendrijven. Liberale denkers en politici wilden afrekenen met autoritaire structuren, maar ook met revolutionaire avonturen. Ze wilden het opkomende kapitalisme in goede banen leiden en de aspiraties van uiteenlopende klassen en standen verzoenen in een houdbaar staatsbestel. Er zijn liberalen in vele soorten en maten, maar je kunt ze herkennen aan vier basiskenmerken: erkenning van de onvermijdelijkheid van maatschappelijke conflicten, wantrouwen van macht, geloof in de vooruitgang van de mensheid en respect voor mensen, ongeacht wat ze denken en wie ze zijn.

Willy BrandtBeeld .
Gustav StresemannBeeld © Bifab/dpa/Corbis
Jean-Paul SartreBeeld EPA

Verfrissende visie

Het originele van de aanpak van Fawcett is dat hij het liberale project volgt aan de hand van denkers en doeners in vier landen die niet allemaal even liberaal zijn: naast Engeland en de Verenigde Staten ook Frankrijk en Duitsland.

West-Duitsland is pas sinds 1945 lid van de club van liberale democratieën - en dan nog op basis van een grondwet die door de geallieerden werd gedicteerd. Fawcett bestrijdt die opvatting en gaat op zoek naar liberale karaktertrekken in het keizerlijke Duitsland van de conservatief Bismarck, die de Duitsers niet alleen burgerrechten, maar ook sociale zekerheid gaf. Ook de Weimarrepubliek (1918-1933) onder leiding van de liberale staatsman Gustav Stresemann, werd door de tijdgenoten ervaren als een beschaafde democratie, waar het extremisme pas een kans kreeg na de economische crisis van 1929. En zelfs de grondwet van de Bondsrepubliek uit 1949 is volgens Fawcett in wezen een verbeterde versie van het bestel van Weimar.

Het is een verfrissende visie, die tegelijkertijd illustreert hoe onweerstaanbaar het liberale project de afgelopen twee eeuwen is geweest. De liberale democratie is uitgedaagd door autoritaire, totalitaire en fundamentalistische vijanden, maar uiteindelijk was - en is - er geen alternatief.

Familievete

Dat neemt allemaal niet weg dat de familievete tussen enerzijds de conservatieve liberalen, die de vrije markt belangrijker vinden dan sociale gerechtigheid en de progressieven die het omgekeerde bepleiten, nooit is beslecht. Het is het hoofdthema van Liberalism. Fawcett heeft daarbij een sterke voorkeur voor de links-liberalen. Zijn intellectuele helden zijn John Stuart Mill, John Maynard Keynes en John Rawls, terwijl hij gemakshalve sociaal-democratische politici als Willy Brandt ook tot het liberale kamp rekent. Zelfs in Jean-Paul Sartre ziet Fawcett een liberaal, een etiket dat de Franse radicaal zelf verontwaardigd zou hebben afgewezen.

Het liberalisme beleefde met de val van de Berlijnse Muur in 1989 zijn finest hour. Fawcett viert die overwinning op de communistische aartsvijand niet uitbundig; in een coda geeft hij zich rekenschap van de legitimiteitsproblemen waarin het liberale project sinds de crisis van 2007 is terechtgekomen. Liberalen moeten vooral niet denken, waarschuwt hij, dat de geschiedenis per definitie aan hun kant staat. Een wijze raad aan het slot van een rijk boek.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden