Geef uw tekst gezag, onderteken als profeet

In Wie schreef de Bijbel? gaat religiehistoricus Karel van dan der Toorn op zoek naar de auteurs van het Oude Testament....

De Prediker wist het al. In het slothoofdstuk van zijn vermaningen, vlak na het vermaarde ‘IJdelheid der ijdelheden’, waarschuwt hij: ‘van veel boeken te maken is geen einde, en veel lezen is vermoeiing voor het vlees.’ Opmerkelijk, gezien de strekking, dat ook deze tekst, tezamen met andere geschriften van uiteenlopende ouderdom en origine, in de late oudheid werd opgenomen in het Oude Testament, het boek dat aanvankelijk het symbool werd van de Joodse religie, maar dat nadien en samen met het Nieuwe Testament, de wereld veranderde.

Predikers verzuchting is begrijpelijk vanuit de wetenschap dat de cultuur waarin de oorspronkelijke Hebreeuwse geschriften ontstonden een orale cultuur was. Het schrift bestond al wel, maar profetieën en openbaringen werden vooral mondeling doorgegeven. Sterker nog: het werkwoord ‘schrijven’ betekende in de cultuur van die tijd letterlijk ‘roepen’, ‘hardop uitspreken’. De eerste teksten dienden dan ook ter ondersteuning van de mondelinge voordracht.

Dat het boek der boeken geen boek is, is geen nieuws. Onder verwijzing naar biblia, het Griekse woord voor boeken, wordt de Bijbel doorgaans gezien als een verzameling boeken. Maar ook dat is een misleidend concept. Want, weet Karel van der Toorn, hoogleraar religie-geschiedenis, het oude Israël kende geen boeken in de hedendaagse betekenis van het woord.

Die ontstonden in de hellenistische periode en hadden de vorm van een codex: een stapel papyrus- of perkamentvellen. Voordien moesten schrijver en lezer het doen met de boekrol, met een maximale lengte van tien meter. Het feit dat Samuël, Koningen en Kronieken ieder uit twee ‘boeken’ bestaan, vindt uitsluitend in die beperkte maatvoering een oorzaak.

In Wie schreef de Bijbel? gaat Van der Toorn op zoek naar het ontstaan en de auteurs van het Oude Testament. Het resultaat is een helder geschreven betoog met vaak overtuigende bewijsvoeringen en een aantal kernachtig geformuleerde, prikkelende conclusies en inzichten. De geschriften waaruit het Oude Testament is samengesteld zijn niet het product van individuele auteurs en al helemaal niet van de profeten wier namen zij in sommige gevallen dragen. Profeten schreven niet. Het waren broodschrijvers, ambachtslieden die in dienst van de tempel de vaak mondeling overgeleverde teksten op schrift stelden en er de namen van gezaghebbende historische leiders (Mozes bijvoorbeeld) of profeten (zoals Jesaja en Jeremia) boven zetten, om zo de autoriteit van de tekst te vergroten.

Onbewust werden de schrijvers die aldus orakels en profetieën noteerden verantwoordelijk voor een radicale ommekeer in de Joodse religie. Om hun teksten te legitimeren kwalificeerden de Hebreeuwse schrijvers zelf hun producten als goddelijke openbaring. Met die openbaring werd niet langer gedoeld op de informatieoverdracht tussen god en mens, maar op het geschrift waarin deze geboekstaafd was. Zo veranderde de Joodse religie van een orale traditie in een religie van het geschreven woord.

Uiteindelijk zou er toch naar de Prediker worden geluisterd. Rond 450 voor Christus vond men dat er een eind moest komen aan de toevloed van steeds nieuwe geschriften. En daarom werd het tijdperk van de profeten officieel voor beëindigd verklaard, met een definitieve editie van de Hebreeuwse geschriften die op grond van ouderdom en authenticiteit als gezaghebbend werden beschouwd.

Initiator van deze canonisering was Ezra, een schrijver die zijn opleiding in Babylonië kreeg. Hij kreeg van de Perzische autoriteiten de opdracht een nationale wet te implementeren. Waarschijnlijk koos hij daarvoor Deuteronomium en smeedde dat wetboek tot een hogere eenheid in de Pentateuch, de vijf geschriften toegeschreven aan Mozes. In de geschiedenis van de religie geldt Ezra sindsdien als de stichter van het Jodendom.

Maar de gedachte om met een canon nieuwe profeten monddood te maken en eenheid te smeden is achteraf een fiasco gebleken. Want na de profeten verschenen de exegeten op het toneel, de schriftgeleerden die, minutieus de tot Bijbel gecanoniseerde teksten uitpluizend, telkens nieuwe interpretaties opwierpen en tot goddelijke openbaring verhieven. Het leidde, om nogmaals met de Prediker te spreken, vooral tot ‘de goddeloosheid van de zotheid en de dwaasheid van de onzinnigheden’.

Gert J. Peelen

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden