Gedwarsboomde liefde

Een van de weinige overlevenden van deze dwaze onderneming is de jonge Tataar Faroek. Zijn lange mars door de Russische vlakten mondt uit in een jarenlange tocht langs gevangenissen en kampen.

Didar en Faroek is het derde boek (en de tweede roman) van de uit Tataarse ouders geboren Sana Valiulina (Tallinn, 1964), die in Nederland woont en haar roman direct in het Nederlands schreef. In haar langademige epos geeft ze 35 dramatische jaren weer uit de geschiedenis van de Sovjet-Unie aan de hand van de levens van de jongen Faroek en het meisje Didar. Hun omzwervingen zijn zo bizar en verschrikkelijk, dat ze wel waar moeten zijn.

Valiulina baseerde haar boek op het verhaal van haar vader. Pas jaren na zijn terugkeer begreep ze dat hij na de oorlog, net als alle andere miljoenen Russische krijgsgevangenen, in een Sovjetkamp had gezeten. Onmiddellijk na hun aankomst in het vaderland werd hij met vele anderen niet ontvangen als een oorlogsheld, maar tot tien jaar kamp en vijf jaar ‘beperking van burgerrechten’ veroordeeld. Met zijn dissidente vrienden vierde hij na zijn vrijlating in 1955 bevrijdingsdag niet op 9 mei, de officiële dag van de bevrijding uit de oorlog, maar op 5 maart, de dag dat Stalin in 1953 stierf.

Valiulina schrijft in een compacte en zakelijke stijl die lijnrecht lijkt in te gaan tegen de emotionele onderwerpen van haar roman. Als Didars broertje haar opgewonden komt vertellen dat een van hun kennissen ‘verdwenen’ is, reageert zij kortaf met: ‘Door je neus ademen’.

Een dergelijke opmerking typeert Valiulina’s taalgebruik. De bondige stijl maakt het boek huiveringwekkend, niet alleen als verslag van een dramatisch tijdperk, maar ook als een roman over een gedwarsboomde liefde.

Dezelfde bondigheid maakt het verhaal tegelijk complex. In hoog tempo worden grote families ten tonele gevoerd en tientallen gebeurtenissen, versneden in verschillende verhaallagen, over de lezer uitgestort. Veel tijd om adem te halen krijgt de lezer niet, net zomin als de personages, waardoor het soms lastig is de gebeurtenissen meteen te plaatsen.

Didar en Faroek ontmoeten elkaar voor het eerst op een familiebruiloft als ze allebei dertien zijn. Na de oorlog biedt Didar in een brief Faroek haar vriendschap aan, omdat ze niemand meer heeft om mee te praten: iedereen die ze vertrouwde, is dood of verdwenen. Het is het begin van een hartstochtelijke correspondentie, die pas negen jaar later eindigt met een ontmoeting in Moskou. Tussen deze eerste en hun tweede ontmoeting, twintig jaar later, worden hun levens volkomen overhoop gehaald. De slimme Didar gaat als voorbeeldig Sovjet-burgeres naar een pionierskamp aan de Zwarte Zee, waar ze luidkeels instemt met de lofzang: ‘Dank u, kameraad Stalin, voor mijn gelukkige jeugd.’

De gevoelige Faroek lijdt vanaf het begin zo onder de druk van Stalin en diens ‘schoonmaakprocedures’ en ‘zuiveringen’, dat de woorden in zijn keel blijven steken. ‘Hij is niet stom’, zegt zijn moeder tegen de artsen, ‘Faroek is een zwijger.’

Pas door het contact met een ontwikkelde Armeniër, die hem kosmografie bijbrengt en sterrenbeelden leert kennen, komt hij in aanraking met woorden die zijn wat ze zijn. Als hij daardoor eindelijk kennismaakt met taal die niet de werkelijkheid vervormt en waarin verraders van vaders geen ‘helden’ worden genoemd, krijgt de stroom in zijn hoofd vorm. Zijn Armeense vriend wordt afgevoerd en keert nooit meer terug. Dan begint Faroek te praten, omdat hij zich geroepen voelt de woorden van zijn vriend te bewaren.

Faroek vindt de aanwezigheid van Stalin onverdraaglijk. Hij gaat altijd met zijn rug naar de foto van de man zitten die hij aanduidt als ‘De Snor’.

Voor Didar begint het beeld van de grote leider pas barsten te vertonen als haar vader aan het begin van de oorlog verdwijnt naar Leningrad en haar moeder en broer bij een ‘ongelukje’ met bommen uit Russische vliegtuigen omkomen. Met haar overgebleven zus en broertje belandt ze in Estland.

Faroek begint aan zijn jarenlange reis langs Duitse krijgsgevangenkampen en wordt ten slotte getransporteerd om in Normandië mee te bouwen aan de Atlantische muur. Na de bevrijding wordt hij op transport gezet naar de Sovjet-Unie en daar wegens ‘landverraad’ veroordeeld tot tien jaar kamp.

Er wordt nauwelijks gehuild of gevloekt in dit boek. Wat mensen overkomt, blijkt uit indringende details: de auto’s met BROOD erop, waarin tientallen buren worden afgevoerd, de weggekraste hoofden op foto’s van partijleden die in ongenade zijn gevallen, of de ‘rare wezen’ van wie de ouders niet zijn gestorven maar zijn verdwenen naar plaatsen die niet in de schoolatlas staan.

Valiulina schreef tien jaar geleden in NRC Handelsblad dat haar vader na zijn kampverleden nooit meer iets weggooide en alle touwtjes en spijkertjes bewaarde. Faroek ziet als zijn opdracht: ‘er zijn, weten, herinneren, verdragen, denken, niet vergeven, bewaren, doorgeven’.

Met Didar en Faroek heeft Sana Valiulina een monumentaal boek geschreven dat die opdracht respecteert.

Sana Valiulina: Didar en Faroek. Meulenhoff; 429 pagina’s; € 19,90. ISBN 90 290 7504 X.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden