Gedienstige uit noodzaak

Arends' werk paste in zijn tijd. De tijd van de antipsychiatrie, Wie is van hout van Jan Foudraine en het gedonder in de psychiatrische inrichting Nieuw-Dennendal, waar de leiding patiënten onbekommerd liet vrijen en hasj roken. Had Arends zelf maar zo goed in zijn tijd gepast, denk je na lezing van Angst voor de winter, de net verschenen biografie van Jan Arends, geschreven door Nico Keuning. Dan had hij zich misschien niet op 21 januari 1974, 48 jaar oud, toen hij niemand had om de verschijning van zijn bundel Lunchpauzegedichten mee te vieren, van het dak van een flatgebouw op het Amsterdamse Roelof Hartplein geworpen.

Uit Keunings biografie rijst het tragische beeld op van een man die vanaf zijn eerste dag van zijn leven moederziel alleen was. Een halve gare op de lagere school. Later huisknecht bij 'rijke wijven'. Een curieuze figuur in het literaire leven, hooguit gedoogd door zijn collega-schrijvers en collega-copywriters, als kleurrijke noot in het café. Iemand die kennissen die hem uit de verte zien aankomen, snel een zijstraat doet inschieten. Alsjeblieft, niet die gek, die iedereen aanklampt met zijn gedichten, niet die stalker aan de telefoon die weer eens geld wil lenen, nu even niet. Zo iemand.

Na zijn schokkende dood was Arends even in de mode. Keefman en de Lunch pauzegedichten werden vaak herdrukt. En veel mensen zágen na Arends zelfmoord in 1974 Keefman, het toneelstuk, en de film. Keefman werd een topper voor 'toneel op locatie', in gekkenhuizen. Zijn werk werd doelgroepenkunst.

En zijn gedichten, die simpele, langgerekte verzen als kale bomen (ze lijken op Arends zelf, van wie iemand in de biografie zegt dat het leek of hij 'een stok' in zijn nek had, waar zijn lange, magere ledematen omheen fladderden), raakten in de vergetelheid. Geen 'grote', maar beklemmende poëzie, waarin het verdriet is neergesmeten: 'Ik wortel/ niet in de grond.// Mijn bestaan/ is ontkend.' En soms ineens, dreigend: 'Misschien/ kom ik morgen/ bij u/ met een bijl.' Tegelijk met de biografie brengt De Bezige Bij Arends' verzameld werk nu in een mooi verzorgde bundel, bezorgd door de biograaf en Thijs Wierema. De hele Arends is er weer, in een editie die de 'wijven' misschien wel op hun salontafel willen leggen.

Wat was er nu eigenlijk aan de hand met Jan Arends, wat maakte hem zo ongeschikt voor normale menselijke omgang, voor baantjes, voor vriendschappen? Waarom verbleef hij een groot deel van zijn leven in psychiatrische instellingen? De biografie geeft daar wel en niet antwoord op.

Keuning maakt overtuigend duidelijk dat het probleem al begon bij zijn conceptie. Hij was het kind van een ongehuwde, straatarme moeder. Zijn vader - de vermoedelijke verwekker - heeft hem, toen hij later met zijn moeder getrouwd was, nooit willen erkennen, uit angst voor schande. Het was het 'teken' van zijn leven, dat, schrijft Keuning, 'door zijn aangeboren gekte', in de loop der jaren uitgroeide tot 'een groot litteken'. Dit stigma 'voedde zijn talent'. Ook dat toont Keuning aan, door leven en werk zorgvuldig te beschouwen, zonder ze met elkaar te verwarren; Arends was zich ervan bewust dat hij literatuur maakte. Die zorgvuldigheid, en de kennis van en liefde voor het werk, is de sterkste eigenschap van deze biografie.

Overtuigend is ook dat de 'schandvlek' uit Arends' jeugd geleid heeft tot zijn seksuele aberratie. Behalve dichter was hij huisknecht van beroep. Gedienstige uit noodzaak. Hij bood zich veelvuldig aan bij rijke villabewoonsters, liefst zo bekakt en hooghartig mogelijk, aan wie hij zich kruiperig onderwierp. Deze 'wijven' waren ongeweten onderwerp van een sm-verhaal, dat hij 's nachts bij eenzame soloseks op zijn kamertje voltooide, maar nooit opschreef. Na enige tijd vertrok de huisknecht weer, nadat hij zijn meesteres, of haar bezoek, luidruchtig had geschoffeerd. Het huisknechtschap bleef lokken, ook toen hij beter betaald werk vond als copywriter, en toen hij enig succes kreeg als schrijver. In die hippe kringen verpestte hij altijd alles door zijn enorme woede op anderen die meer erkenning kregen dan hij .

Maar hoe zit het nu met die 'aangeboren gekte'? Wat 'had' Arends eigenlijk? In een nogal verwarde uiteenzetting in het begin van het boek, waarbij Keuning refereert aan de psychiater P.C. Kuiper, is sprake van schizofrenie, van aanleg voor psychosen en een gebrek aan 'geïntegreerd ik-besef', dat kan leiden tot een 'preschizofrene karakterneurose'. Het is verleidelijk, schrijft Keuning, om dit etiket te plakken op de jonge Arends. Dat doet hij niet, want: 'Niet elk kind met een verstoorde, verwarrende en irrationele liefdesrelatie met zijn ouders wordt psychotisch, paranoïsch of neurotisch.'

Maar was Arends dan wel psychotisch? En wees zijn rusteloze spreektrant, zoals Keunings elders schrijft, in de richting van schizofrenie? Het levensverhaal geeft daar geen aanleiding toe. De biograaf portretteert een man die niet voor zichzelf kon zorgen, vaak angstig en depressief was, overal complotten ontwaarde, maar geen psychoot of schizofreen die niet wist wie hij was. Keuning volgt Arends nauwkeurig in zijn gang van inrichting naar inrichting. Was het niet mogelijk om te achterhalen waarom hij daar telkens weer zat? De suggestie van 'sommigen' dat Arends zich liet opnemen omdat hij het wel makkelijk vond - dan hoefde hij niet voor zichzelf te zorgen en te koken, en niet van baantje naar lening te rennen om aan geld te komen, én hij kon er rustig schrijven - verwerpt Keuning: Arends leed wel degelijk aan depressies.

Toch komt de zelfmoord betrekkelijk onverwacht in dit levensverhaal. Arends zinspeelde in interviews wel op 'pogingen', en diepe kerven in zijn arm getuigden daarvan. Maar verder krijgen we er niets over te horen.

Het wordt er niet beter op als Keunings, beland bij de beschrijving van de laatste momenten in Arends' leven, als een romanschrijver in diens huid kruipt. Dat deed hij al een paar keer eerder; hij laat moeder Dinie naar de 'afgesleten neuzen van haar schoenen' staren, mijmerend over het 'nieuw leven' in haar buik - volstrekt onnodig, zulke clichématige verzinsels, en een stijlbreuk met de rustige reportagestijl van de rest van het boek. Maar als het gaat om Arends gang naar het raam van zijn kamer waaruit hij zou springen, is deze inlevende methode wel erg ongepast. Keuning laat Arends vergeefs iemand opbellen, en bedenkt een 'stem' die tot hem spreekt: ' ''Spring!'' De stem schreeuwde nu in zijn hoofd.'

Niemand weet wat er omgaat in het hoofd van een zelfmoordenaar voor het fatale moment van handelen. Niemand hoeft dat te weten, en je moet het ook niet willen invullen. Dat is het moment waarop een biograaf moet terugtreden. Veel aangrijpender dan het hele verhaal over die 'stem' is trouwens dat ene zinnetje, opgetekend uit de mond van de conciërge: Arends leefde nog toen hij na zijn val werd gevonden.

Maar vóór dit bittere einde had Keuning zijn liefdevolle portret van de dichter-huisknecht al getekend, met een scherp oog voor zowel zijn talenten als zijn onmogelijke eigenschappen. Een schrijnend beeld van een man die ervan overtuigd was dat de hele wereld een feestje vierde waarvoor hij niet was uitgenodigd. Kort voor zijn dood had hij nog ergens woedend een kerstboom omvergetrokken. Een kerstboom met lichtjes, truttig symbool van de welgedane, gezonde burgers met hun blije kindertjes, díe moest eraan. Het pleit voor de biograaf van Jan Arends dat hij oog heeft gehad voor zulke veelzeggende details.

Nico Keuning: Angst voor de winter - Het leven van Jan Arends.
De Bezige Bij; 368 pagina's; euro 22,50.
ISBN 90 234 1010 6.
Jan Arends: Vrijgezel op kamers - Verzameld werk.
De Bezige Bij; 582 pagina's; euro 32,50.
ISBN 90 234 1001 7.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden