GEBOUWEN ALS KLANKKASTEN

Theaters, opera’s en concertzalen hebben hun takenpakket aanzienlijk uitgebreid . Overdag is er college en ‘s avonds een concert...

Door MACHTELD VAN HULTEN

Een zwembad, ja – een van de eerste beeldvullende pagina’s van het boek Performing architecture over ’s werelds belangrijkste operagebouwen, concertzalen en theaters van 1998 tot 2010 laat een prachtig rond verlicht bad met een koepelgewelf zien. Het is veelbetekenend. Het theater van de 21ste eeuw, waar het hier over gaat, is meer dan een sfeervolle bonbonnière met stoelen van rood pluche, een gang rondom die dient als foyer, een koffiebar en een loket waar je kaartjes kunt kopen. Het theater van de 21ste eeuw is multifunctioneel en flexibel à la het Tempodrom (2001) in Berlijn: een grote en een kleine zaal én een zoutwaterbad – capaciteit: vijftig toeschouwers – voor licht- en geluidshows.

De podiumkunsten hebben het moeilijk. En dat is, zo blijkt uit dit boek, een geluk bij een ongeluk voor de architectuur. Theaters, toneelgezelschappen en orkesten zijn in de loop van de jaren niet alleen te afhankelijk geworden van een publiek dat steeds meer vergrijst, ook de concurrentie van home entertainment – internet, dvd – is voelbaar in de vaak halflege zalen. Werd voorheen misschien eerst gedacht aan het verbeteren van de programmering, tegenwoordig wordt al snel de hulp ingeroepen van hedendaagse wonderdokters als architecten.

Het is, zo toont dit boek, de kwaliteit van theaters en concertzalen ten goede gekomen. Denk aan Nederland waar de afgelopen jaren een aantal ijzersterke ontwerpen gereed zijn gekomen, zoals de Philharmonie in Haarlem van Frits van Dongen en onlangs De Spiegel (Greiner Van Goor Architecten) in Zwolle. En met stip bovenaan natuurlijk het Muziekgebouw aan ’t IJ in Amsterdam van het Deense architectenbureau 3xNilsen. Niet alleen heeft het gebouw nu al een positie tussen ’s werelds beste concertzalen veroverd vanwege de perfecte akoestiek, het spraakmakende ontwerp aan het water werd in no time een publiekstrekker van jewelste, ook onder niet-concertgangers.

Het boek Performing architecture richt zich op vergelijkbare projecten, maar dan internationaal. Het Casa da Música van Rem Koolhaas in Porto, de Walt Disney Concert Hall van Frank Gehry in Los Angeles, de opera van Valencia van Santiago Calatrava. De tendensen zijn duidelijk: onder toeziend oog van de architect is het takenpakket van theaters, opera’s en concertzalen aanzienlijk uitgebreid.

Een nieuw theater telt niet meer mee als het niet flexibel is. Het moet zowel geschikt zijn voor een popconcert, een opera, orkesten en ensembles, en het liefst ook voor dans, klassiek toneel en cabaret, hetgeen de architect voor een grote technische uitdaging stelt. Want: elke kunstvorm vraagt weer om een andere akoestiek. Zo vraagt toneel om een nagalm korter dan een seconde – anders zijn de acteurs onverstaanbaar – terwijl bij een klassiek concert de muziek minstens twee seconden moet nagalmen.

Een andere belangrijke voorwaarde voor succes is multifunctionaliteit. Theaters moeten stadsdelen nieuw leven inblazen. Ze moeten mensen trekken. Publieke ruimte is daarbij het toverwoord. Binnen in de vorm van spannende foyers, spectaculaire bars, restaurants en lounges met mooi uitzicht. En buiten door het gebouw te omringen met een uitnodigend plein of park waar ook evenementen kunnen plaatsvinden.

De projecten in het boek vallen uiteen in twee typen. Die van de architecten die het dichte karakter van een theater- of concertzaal uitbuiten, uitvergroten en ook aan de buitenkant uit laten komen in spannende, gesloten sculpturen met een enkel grillig raam, zoals het Walker Art Center van Herzog en De Meuron in Minneapolis of het Casa de Musica dat eruitziet als een meteoriet. Maar ook het theater van Daniel Libeskind in Israël dat sterk lijkt op het Joods Museum in Berlijn, of het Opera House in São Paolo van Oscar Niemeyer in de vorm van een grote hermetische, betonnen kubus.

De andere school is die van gebouwen waarbij de zaal of zalen worden overkoepeld door een vaak ruime en meer transparante gevel of een gelijksoortig dak, zoals de immense glazen bol van het National Grand Theatre of China van Paul Andreu in Beijing of het theater van Gateshead van Norman Foster. Een van de meest indrukwekkende ontwerpen in deze categorie is het Kimmel Center for Performing Arts in Philadelphia door Rafael Viñoly: een enorme ranke boogconstructie van staal, met daarin twee prachtige dozen, één achthoekige houten zaal en een ronde van wit beton. Ertussenin een plein, erbovenop prachtige, groene terrassen. Een ander zeer geslaagd project in deze categorie is het gebouw van KSS Design Group in Southend (Groot Brittannië) waarbij een theater aan een middelbare school is gekoppeld. Het futuristische auditorium – een knalrode zwevende blob – dat overdag fungeert als collegezaal wordt ’s avonds gebruikt voor voorstellingen.

Langzaam wordt duidelijk dat het woord performing niet alleen slaat op de functie van de gebouwen, op de podiumkunsten. Maar ook op de gebouwen zelf, die als het ware ook zelf ‘optreden’. Een bezoek aan veel van deze gebouwen moet een waar spektakel zijn.

Daarbij: veel van de gebouwen fungeren als een soort muziekinstrument. Zeker de concertzalen zijn zelf klankkasten, waarbij alles in het ontwerp – elke vorm, elke afmeting van de zaal, elk gekozen materiaal voor interieur en afwerking – van invloed is op het geluid.

Vroeger werd een opera gebouwd en dan moest achteraf blijken hoe de akoestiek was. Tegenwoordig wordt bij bijna elke nieuwe concertzaal de hulp ingeroepen van gespecialiseerde bureaus. Door geavanceerde software is het zelfs mogelijk nog voordat de eerste paal de grond in gaat, het geluid te horen. Dat maakt dat de fantasie van een architect en een goede akoestiek elkaar niet meer hoeven uit te sluiten.

De schoenendoosvorm die van oudsher nu eenmaal de beste mix van direct en weerkaatst geluid produceert, verdwijnt daarmee langzaam naar de achtergrond. Het bollende plafond van de Gehry’s concertzaal in Los Angeles heeft de vorm van een klankkast van een luit. De zaal van het concertgebouw van Rafael Vinõly in Philadephia is cellovormig, helemaal van mahoniehout, waarbij de orkestbak gepositioneerd is op de plaats van de ‘brug’ van de cello. Een excellente ruimte, zowel voor het oog als voor het oor.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden