Gebouw dat pas op termijn zijn ware gedaante krijgt

Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek (IBN-DLO), Droevendaalsesteeg 3a, Wageningen. Architect: Stefan Behnisch. Opdracht: 1995. Opdrachtgever: Rijksgebouwendienst, directie Oost...

IDS HAAGSMA; HILDE DE HAAN

ARCHITECTUUR

Van een bevrijdende, kwajongensachtige nonchalance is het nieuwe gebouw van het Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek aan de noordrand van Wageningen. Al zou je dat, gezien de locatie en de uiterlijke vorm, niet meteen zeggen.

Op een vroegere maïsakker aan de provinciale weg tussen Ede en Wageningen heeft de Dienst Landbouwkundig Onderzoek, een onderdeel van het Ministerie van Landbouw, de laatste jaren gewerkt aan een concentratie van drie instituten.

Het zijn gebouwen die voldoen aan de uitgangspunten van een beleid dat wordt omschreven als 'duurzaam bouwen' - wat inhoudt dat er gebouwd wordt volgens nieuwe regels en richtlijnen, die het milieu en de ecologie voorop willen stellen. Volgens deze voorschriften moeten de bouwwerken worden opgetrokken uit materialen die gemakkelijk te slopen en te recyclen zijn - hetgeen weer een wat vreemd licht op het begrip 'duurzaam' werpt.

Op de plaats van die oude maïs.akker staan dan ook twee brave panden, volgestouwd met energiebesparende snufjes en goedbedoelde uitgangspunten, waarbij echte ontroering echter achterwege blijft.

Hoe anders is dat met het derde gebouw, dat het dichtst bij de provinciale weg ligt. Van buiten oogt het wat modieus, met twee grote atriumachtige binnenhoven onder een dak dat er uitziet als een kassenlandschap. Maar de schijn bedriegt. Dit gebouw vertelt een verhaal dat tot nog toe te weinig in architectenland aan bod is gekomen.

Het is het verhaal van een gebouw dat onaf is, dat pas in de loop van tijd zijn ware gedaante krijgt. Het is het verhaal ook van ongedwongenheid; en het is vooral het verhaal van een gebouw dat zichzelf wil wegcijferen.

Dat laatste kan natuurlijk niet. Het gaat er juist om dat het gebouw een plek invult die ooit leeg was, en het gaat erom op welke wijze het dat doet. Dit gebouw doet het behoedzaam, terughoudend, zonder veel nadruk en juist dat werkt zo bevrijdend.

Architect van het Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek is de Duitser Stefan Behnisch (1957), sinds begin vorig jaar partner van Behnisch & Behnisch Büro Innenstadt in Stuttgart. De andere Behnisch is zijn vader, Günter Behnisch (1922) die nog tevens zijn naam verbindt aan zijn oude bureau, Behnisch & Partner, eveneens in Stuttgart.

Het is misschien niet erg aardig om het werk van de zoon in het licht te plaatsen van dat van zijn vader, maar in dit geval kan het verhelderend werken. Behnisch senior maakte in 1963 naam met zijn Staatliche Fachhochschule für Technik in het plaatsje Ulm, destijds het eerste grote bouwwerk in Duitsland dat geheel uit geprefabriceerde, betonnen onderdelen bestond.

De hogeschool oogde nogal monotoon en weinig speels, en in latere werken zou Behnisch bewust naar vrijere vormen zoeken. Dit lukte bijvoorbeeld in het Olympia-dorp te München dat in 1972 gereed kwam en waarvan het stadion wereldfaam verwierf.

Uiteindelijk mocht hij de uitbreiding van de Bondsdag in Bonn - in 1992 gereed - ontwerpen. En in 1988 en 1989 baarde hij nogmaals opzien, eerst met een kleuterschool in Stuttgart-Luginsland en later met een het Hysolar-Institut (wederom Stuttgart) door de nogal opzichtige, zo niet chaotische vormgeving. Duitse architectuurtijdschriften schreven misprijzend dat het deconstructivisme nu ook in Duitsland wortel had geschoten.

Hoe dan ook moet Behnisch op zoek zijn geweest naar nieuwe wegen en mogelijkheden in de architectuur. En het is op dit punt dat zijn zoon de draad moeiteloos oppakt.

Stefan Behnisch is wars van vastgeroeste architectuuropvattingen. Het liefst begint hij iedere opdracht geheel zonder enige ballast, van voren af aan, al is hij realist genoeg te beseffen dat dit niet werkelijk kan. Maar die ongebondenheid kun je wel zo veel mogelijk benaderen. Alleen dan kan het gebouw één worden met zijn omgeving en met zijn gebruikers.

Dat is wat hij ook in Wageningen heeft gedaan. Het gebouw zelf heeft de simpele vorm van een hoofdletter E: een lange, betonnen rug op het noorden met drie, veel transparantere vleugels gericht op het zuiden. Tussen die drie poten liggen twee binnentuinen die met glazen gevels van de buitenwereld zijn afgeschermd.

De verrassing, zo niet de betovering, zit in de afwerking. Het is moeilijk te ontdekken waar het binnen van het gebouw ophoudt en de binnentuin begint. Die overgang lijkt vloeiend te verlopen, niet alleen door de open vormgeving, maar ook door het binnenklimaat dat overal weldadig aanvoelt.

Die tuinen zijn een verhaal apart, door de vormgeving van de Amerikaanse kunstenaar Michael Singer wiens werk goed aansluit bij dat van de jonge Behnisch. Beide hebben iets nonchalants, maar dan wel een geraffineerde, bestudeerde nonchalance. Beide hebben iets onafs en tonen een weerzin tegen perfectie.

Steeds ontdek je iets dat plotseling op lijkt te houden, dat onvoltooid blijft. Het ongeoefende oog denkt dan misschien even te maken te hebben met deconstructivisme, maar het is iets anders. Het is bewuste terughoudendheid die het gebouw en de tuinen overdraagt aan de gebruikers en de bezoekers.

Ook opvallend is het feit dat de constructie van het gebouw niet in het oog springt. De bouwtechniek heeft zich verstopt, is op zijn plaats gezet en het zijn de materialen, vooral veel larikshout, het vele water, de planten en nog sterker, de ruimte, die het geheel dirigeren. Waren er toch meer van zulke gebouwen die hun plaats weten: rustig, onopvallend tussen hun omgeving en de mensen.

Ids Haagsma

Hilde de Haan

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden