Geboren om te herhalen

Het beluisteren van de uitvoerige cd-box 'Wynton Marsalis Septet Live At The Village Vanguard' heeft iets dubbelzinnigs. Alles wat Marsalis en zijn band spelen, is door anderen al eerder gedaan....

'HOE LAAT is het nu? Kwart over twee? Het wordt wel vier uur voor we klaar zijn, dus ik hoop dat ze hier koffie serveren.'

Met deze opmerking begint de eerste cd van Wynton Marsalis Septet Live At The Village Vanguard. Groot is mooi en veel is lekker, lijkt het devies van de trompettist/componist, want deze uitgave beslaat zeven plaatjes, alle ruim over de zeventig minuten, en er wordt ook nog een bonus-cd van een half uur bijgeleverd.

De box vat een afgesloten periode in Marsalis' carrière samen (het septet is zomer 1995 opgeheven), en vormt een mooie aanleiding eens op een rijtje te zetten wat de beroemdste jazzmusicus van de afgelopen vijftien jaar allemaal kan. En niet kan.

Met deze verzameling meegerekend heeft Marsalis in 1999 in totaal vijftien cd's toegevoegd aan een al omvangrijk oeuvre, dus over zijn productiviteit hebben we niet te klagen. Waar ook niemand omheen kan, is dat hij als trompettist iedereen in z'n zak steekt: collega's die met de hier opgenomen versie van Cherokee worden geconfronteerd zullen luisteren en huiveren. Hij beheerst zo'n beetje alle stijlen op zijn instrument, van vette oerjazz met grommende dempers tot het naar atonaliteit zwemende kwikzilver van Don Cherry.

Die veelzijdigheid werd in de Village Vanguard ruimschoots uitgeserveerd. De cd's worden gepresenteerd als de weerslag van zeven avonden, maar dat is een truc die de sfeer moet versterken: in werkelijkheid gaat het om meer opnamedata, tussen 1990 en 1994, met drie verschillende versies van het septet.

Ondanks de verschillen in bezetting (de bassist, pianist en tenorsaxofonist variëren) is te horen dat de groep veel speelde: hij klinkt zo flitsend als de gesmeerde bliksem. Naast stukken van Duke Ellington en Thelonious Monk, en nog wat andere standards, heeft Marsalis vooral de aanstekelijke nummers uit zijn la gehaald. Veel second line ritmes uit New Orleans, een liedje voor een Peanuts-film, en Juba And A O'Brown Squaw bijvoorbeeld, verreweg het leukste deel uit zijn loodzware en gortdroge jazz oratorium Blood On The Fields.

Dankzij het repertoire en de hecht swingende band is dit dan ook een van de meest genietbare onderdelen van de Marsalis-catalogus. Toch is het beluisteren een dubbelzinnige ervaring. In de ronkende tekst van Stanley Crouch, profeet van de jazz-messias, wordt de man de grootste vernieuwer sinds 1965 genoemd. Pertinente onzin, maar uit het feit dat Marsalis zich dit laat aanleunen blijkt dat hij er zelf in gelooft. Dat klinkt ook door in uitspraken die hij zelf doet: de jazz is ontspoord in de jaren zeventig, banale fusionrockers en 'free' spelende charlatans hebben het ware geloof verkwanseld, en alleen dankzij Wynton en anderen die de traditie grondig hebben bestudeerd, is het rechte pad weer gevonden.

Maar vrijwel alles wat dit septet speelt is al eens eerder gedaan. Marsalis bewondert Ellington omdat die voor en over zijn tijd schreef, en dat is nu juist wat hij zelf niet doet. Hij is iemand met de ziel van een klassieke muzikant, een oud geboren uitvoerder van wat anderen bedacht hebben. Dat ouwelijke hoor je ook in zijn aankondigingen: een jongetje dat met elastiekjes schiet krijgt een standje, maar wordt ook grootvaderlijk over de bol geaaid: 'We like to see spirit in youngsters.' Een New Yorkse muzikant die wél een weerspiegeling speelt van hedendaagse songs en grooves, vatte het zo samen: 'Wynton can play, but he's such a tightass motherfucker.'

In het bewerken van jarentwintig-jazz, zoals die van Jelly Roll Morton, zijn anderen Marsalis al voorgegaan: Charles Mingus bijvoorbeeld. Die voegde er iets van zichzelf aan toe, terwijl dit septet blijft steken in redelijk stijlvaste imitaties van onherhaalbare momenten. Mingus heeft ook de verworvenheden van Ellington getransformeerd - Marsalis brengt met Citi Movement een Ellingtoniaanse balletsuite, een heel aardige pastiche, maar zonder Duke's melodische rijkdom en vooral zonder dwingende noodzaak.

Misschien is het maar beter de retoriek van Crouch en Marsalis niet in de beoordeling te betrekken, en de muziek te waarderen om wat ze is: klassieke mainstream-jazz, knap en geestdriftig gespeeld, die door de bedenkers niet meer ten gehore kan worden gebracht, zodat het prettig is dat iemand ze conserveert.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden