Gainsbourg zonder conventies

De Franse striptekenaar Joann Sfar verfilmde het leven van Frankrijks troetel-grote bek Serge Gainsbourg. Een vertelling moest het worden, geen biografie....

Een paar weken geleden werd Parijzenaars gevraagd wie aan de beurt was om een straat naar zich vernoemd te krijgen. Claude Lévi-Strauss, de onlangs op z’n honderdste overleden antropoloog, kreeg de meeste stemmen. Meteen daarna volgde Serge Gainsbourg.

Kom niet aan Gainsbourg. Met Molière, Louis de Funès, Victor Hugo en Edith Piaf behoort hij tot een select rijtje onaantastbare Fransen. Buiten Frankrijk houdt die bewondering meteen op. Zijn positie is zoals in Nederland die van Wim T. Schippers: genie in eigen land, over de grens snapt amper iemand waarom.

Houdt de kennis van een niet-Fransman zo’n beetje op bij de erotische provocatie van Je t’aime... moi non plus uit 1969, een Fransman noemt moeiteloos tien of meer titels. Om daarna meteen over te stappen op de levenswandel van betrokkene. Gainsbourg, dat is ook het verhaal van een tengere man met grote neus die alle mooie en beroemde vrouwen aan zijn voeten kreeg en daar niet eens altijd blij mee leek te zijn.

De ongekroonde prince of cool was hij, onvermoeibaar poseur, sater van de goede smaak, en met ruime voorsprong de hipste Fransman. Zijn huis was een museum, zijn leven een spel, zijn liedjes een huwelijk tussen popmuziek en chanson. En als Gainsbourg met een van zijn schoonheden op televisie kwam, dan wist Frankrijk weer voor even wat te dragen en hoe te bewegen.

Over dat fenomeen is een twee uur durende speelfilm gemaakt. Zo’n project is niet zonder risico, omdat elke Fransman zijn eigen Gainsbourg heeft, en veel nabestaanden – de geliefden Bambou, Brigitte Bardot en Jane Birkin, dochter Charlotte – nog leven. Zoals Gainsbourg zelf lapt de film alle conventies aan de laars. Een pop – la gueule, de grote bek – vertolkt de kwade kant van Gainsbourg, acteurs zingen echt, alles loopt goed af. En regisseur Joann Sfar (1971) mag dan een van de bekendste striptekenaars van Frankrijk zijn (hij heeft al tientallen boeken op zijn naam, vooral de reeks met de kat van de Rabbi is in Frankrijk zeer geliefd), een speelfilm had hij nooit gemaakt.

Een vertelling moest het worden, geen biografie. ‘De Amerikaanse financiers van Universal wilden de film zo Europees, zo Frans mogelijk’, zegt Sfar. ‘Onze Europese geschiedenis stelt ons in staat een ander soort liefdesverhalen te vertellen, ingewikkelder, naïever, gelaagder dan de Amerikaanse. Neem Interview, van Theo van Gogh. Een zeer geslaagde film, terwijl de Amerikaanse remake stupide is, omdat de regisseur de kern niet begrepen heeft.’

‘Een Amerikaanse held moet iets leren in de loop van een film. Er is een conflict, dan volgt inzicht en daarna gaat het beter met hem. De Europese film is eerder tragisch. De held leert niets. De wetten van Leibniz doen niet ter zake, er is geen oorzaak en gevolg.’

Wat dat betreft eindigt in stijl. We zien de held, vroeg oud en verloederd, op een Jamaicaans strand, de fles drank onder handbereik. Maar ook deze dwaler – Gainsbarre noemt hij zich intussen – is een man met een missie: hij zal de reggaemannen de Marseillaise leren. Het Franse volkslied gaat swingen, eindelijk.

Voor Sfar is dat de voornaamste boog in de film: het joodse jongetje Lucien Ginsburg, wiens ouders uit de Oekraïne naar Parijs kwamen, vat een grote liefde op voor de Franse taal. Hij gaat het chanson gebruiken om die geliefde te veroveren en zo de meest Franse aller Fransen te worden. Het eindigt ermee dat hij zelf een apostel van de Marseillaise wordt.

‘Fransen nemen hun volkslied zeer serieus’, zegt Sfar. ‘Toen we begonnen met draaien, floten jongeren de Marseillaise uit voor het begin van de wedstrijd Frankrijk-Algerije. Dat veroorzaakte veel opwinding. Nu de film klaar is, woedt het debat over de nationale identiteit. Zo blijft de film actueel.’

Volgens Sfar geeft Gainsbourg een pasklaar antwoord op alle inburgeringsvraagstukken: wie goed Frans spreekt is Fransman. ‘Die passie voor zijn land, dat vind ik mooi. Tegelijk was hij, met Charles Trenet, de enige die het chanson kon laten klinken als popmuziek.’

Naast die liefde voor de taal is er de schilderkunst. Overdag volgt Gainsbourg de kunstacademie, ’s nachts werkt hij als pianist in nachtclubs. Zijn schilderijen zal hij in een vlaag van woede vernielen.

En altijd zijn er vrouwen onder handbereik. Tienerster France Gall (Poupée de cire, poupée de son); vedette Juliette Gréco, die in de film een sprekende kat heeft; de overweldigende Brigitte Bardot, de enige die zelf Gainsbourg uitkoos in plaats van andersom; Jane Birkin, als hippe Britse mijlenver vooruit op de Parisiennes. In de film zijn vooral de Bardot van Laetitia Casta en – op een veel intiemere manier – de Birkin van Lucy Gordon hartveroverend.

‘Gainsbourg heeft Franse vrouwen moderner gemaakt, actiever’, zegt Sfar. ‘Tegelijk koesterde hij de illusie altijd met dezelfde vrouw te zijn. In zekere zin zijn ze decoratie voor hem. Philip Roth schrijft over een jongetje dat vindt dat zijn moeder en zijn schooljuf zo sterk op elkaar lijken dat ze waarschijnlijk dezelfde persoon zijn. Hij haast zich naar school om de gedaanteverwisseling mee te maken. Zoiets heeft Gainsbourg met vrouwen. Hij was het tegendeel van integer, en pathetisch in zijn poging om steeds à la mode te zijn. Tegelijkertijd koesterde hij zijn eigen vrouwelijke kanten.’

Voor de hoofdrol had Sfar eerst Charlotte Gainsbourg in gedachten, de dochter van Gainsbourg en Jane Birkin die al jaren als zangeres en actrice in de voetsporen van haar vader treedt. ‘Ze huilde toen ik het haar voorstelde, en stemde in. Maar al snel bleek het te pijnlijk voor haar. Het was voor ons beiden belangrijk die rouw door te maken. Door te weigeren heeft ze mij in zekere zin ook bevrijd. Daarna is ze wel Antichrist gaan doen, met Lars von Trier. Toen ik die film zag, dacht ik: maar zoveel pijn had ík je niet willen doen.’

Lars von Trier vertegenwoordigt voor Sfar alles wat hij niet met film wil. In het boek dat hij maakte over de verfilming schrijft hij zelfs over ‘de kleine gemene oogjes van Lars von Trier’. ‘Ik bewonder wat hij maakt. Maar zijn houding staat me tegen. Hij was ooit een kwetsbaar kind en gebruikt nu film om wreed jegens anderen te zijn. Bij mij is het omgekeerd. Ik voel me meer verwant met Fellini die als regisseur koesterend, omarmend was. Ik heb grote moeite met dat paternalisme van regisseurs die doen alsof ze god zelf zijn.’

Nadat Charlotte Gainsbourg was afgehaakt, werd een nieuwe ‘Gainsbourg’ gevonden in de persoon van Eric Elmosnino, een theateracteur met amper filmervaring. Voor hem was Gainsbourg een onbekende. ‘Ik kende Ferré, Brassens. Maar niemand had me ooit verteld dat Gainsbourg bijzonder was. Mijn beeld erbij dateerde uit de jaren tachtig, een beetje ongein op de televisie. Door Joann en de film heb ik hem ontdekt.’

‘Voor mij was dat een openbaring. Hij staat heel sterk in de Franse traditie van het manipuleren van de taal. Zijn gevoeligheid ligt eerder bij woorden dan bij muziek. Hij had de gave het bekende anders onder woorden te brengen. Dan ben je een groot kunstenaar. Elegant was hij en tegelijk een ellendeling. Maar wat hij zei was interessant, altijd. Ik zou willen weten hoe hij nu over de dingen zou denken. Zo iemand als hij ontbreekt in Frankrijk.’

De dandy-achtige vingergebaren, de ondanks eindeloos oefenen onhandige manier van roken, de trage oogopslag – Elmosnino komt in de film verbazend dicht bij het origineel. Zelfs zingend weet hij te overtuigen. ‘Gainsbourg had geen grote stem, maar was toch een ongelooflijk goed zanger. Zo sensueel is het, zo precies van timing – je rent daar als vertolker altijd achteraan. Het is maar goed dat ik dat tevoren allemaal niet besefte. De film heeft me zin gegeven mijn zang verder te ontwikkelen.’

Lucy Gordon, een vederlichte Engelse actrice met eindeloos lange benen die al wat jaren in Parijs woonde, speelt in de film Jane Birkin. Kort na de opnamen maakte ze een eind aan haar leven. ‘Ze was zo gelukkig tijdens het draaien’, zegt Elmosnino. ‘Het was een groot plezier met haar te acteren. Tegelijk voelde je hoe gevoelig ze was. Haar dood blijft een raadsel. Het is moeilijk daarmee te leven.’

Ook Sfar koestert mooie herinneringen aan de actrice. ‘Zij is de enige die me tijdens de opnamen een cadeau gaf: een Turks muziekinstrument. Dat heb ik gewaardeerd.’ Hij droeg de film aan haar op.

Voor Sfar was het maken van Gainsbourg een groot feest. ‘Op alle draaidagen liep ik te grijnzen’, vertelt hij. ‘Een tekenaar is meestal alleen, ik vond het fantastisch met zo’n ploeg te werken. We hebben alles uit de kast gehaald: marionetten, mooie vrouwen, kinderen. Ik dacht: we maken er een spektakel van; misschien mag ik hierna nooit meer.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden