Gabriel García Márquez brengt zelfs zijn vertaler in verwarring

Was Honderd jaar eenzaamheid toe aan een nieuwe vertaling?

Was dat nou nodig, een nieuwe vertaling van Honderd jaar eenzaamheid van Gabriel García Márquez? Maarten Steenmeijer vergelijkt de oude, veelgeprezen vertaling van de magistrale 50-jarige roman met de nieuwe.

Gabriel García Márquez. Foto Graziano Arici/Imageselect

Je hoort vaak zeggen dat vertalingen een beperkte houdbaarheidsduur hebben. Gemiddeld zou een vertaalde roman zo'n jaar of dertig, veertig mee kunnen. Dan vertoont hij zo veel gebreken dat het tijd wordt hem te vervangen door een spiksplinternieuwe. Maar klopt dit wel? Vertalers zijn toch eigenlijk ook schrijvers? Waarom zouden hun teksten dan sneller slijten dan wat 'echte' schrijvers op papier zetten? Onzin dus, in principe kunnen vertalingen net zo lang mee als oorspronkelijke werken. Tenzij ze slecht vertaald zijn natuurlijk. Maar in dat geval zouden ze meteen moeten worden ingeruild voor een fatsoenlijke versie.

In 1972 verscheen de spraakmakende en veel geprezen vertaling van Honderd jaar eenzaamheid waarvoor C.A.G. van den Broek tekende. Twee jaar later ontving Van den Broek de Martinus Nijhoff Vertaalprijs. Dat was niet alleen een eerbetoon aan zijn vertaling, maar ook aan de Latijns-Amerikaanse literatuur in het algemeen, die dankzij Honderd jaar eenzaamheid definitief doorbrak in Nederland. Sindsdien zijn er bij Meulenhoff maar liefst 72 drukken verschenen van García Márquez' magistrale roman en groeide de eerste zin uit tot een klassieker: 'Vele jaren later, staande voor het vuurpeloton, moest kolonel Aureliano Buendía denken aan die lang vervlogen middag, toen zijn vader hem meenam om kennis te maken met het ijs.'

Was Van den Broeks vertaling toe aan vervanging? Je zou denken van wel, want Meulenhoff vroeg veteraanvertaalster Mariolein Sabarte Belacortu om een nieuwe versie te maken. Exit Van den Broek dus? Dat is niet de eerste gedachte die je te binnen schiet als je Sabarte Belacortu's openingszin leest: 'Vele jaren later, toen hij voor het vuurpeloton stond, moest kolonel Aureliano Buendía vast aan die verre middag denken waarop zijn vader hem had meegenomen om het ijs te leren kennen.' Wat meteen opvalt is de toevoeging van het woordje 'vast'. Daarmee is de zekerheid over wat de kolonel zich precies zou herinneren voordat hij ter dood gebracht zou worden veranderd in een sterk vermoeden.

Hoe zit dat? Typisch Márquez is dat hij zo'n sleutelgebeurtenis eerst alleen maar aanstipt om hem pas een flink eind verderop in de roman uit te werken. En daar blijkt, ook in de vertaling van Sabarte Belacortu, dat de verteller wel degelijk weet wat er op dat cruciale moment omging in het hoofd van Aureliano Buendía. Als je er vervolgens de Duitse, Franse en Engelse vertalingen op naslaat, blijkt dat ook in de openingszinnen daarvan geen sprake is van twijfel. En terecht: in het Spaanse origineel weet de verteller zeker wat de kolonel zich vele jaren later zou herinneren.

Gabriel García Márquez, Honderd jaar eenzaamheid, Uit het Spaans vertaald door Mariolein Sabarte Belacortu, Meulenhoff; 460 pagina's; € 24,99.

Lees je verder dan denk je niet meer aan de oude vertaling maar zit je midden in het verbijsterende verhaal van de familie Buendía. De vaart van de nieuwe versie werkt goed, al wordt die zo nu en dan wel onderbroken door malle formuleringen als 'hij voelde zich verspreid, herhaald en eenzamer dan ooit', 'Voor Fernanda was het een rust' en 'Amaranta Úrsula (...) begon blijk te geven van een goed verstand'. En wat moeten we ons voorstellen bij 'pasgetrouwde vrouwenkleren' en 'pasgetrouwde vrouwenangsten'? Is Márquez hier ineens magisch realist af en is hij veranderd in een surrealist? Toch maar weer even kijken wat Van den Broek heeft gedaan: 'Hij voelde zich uiteengerukt, nagemaakt - en eenzamer dan ooit'; 'Voor Fernanda was het een hele opluchting'; 'Amaranta Úrsula (...) begon blijk te geven van een helder inzicht'; 'haar uitzet'; 'de angsten die ze als jonggehuwde had gekend'.

In Honderd jaar eenzaamheid buitelen de gebeurtenissen over elkaar heen en word je betoverd door een zinderende taal boordevol bijna uit hun voegen barstende beelden. Maar de lezer hoeft niet bang te zijn om te verdrinken in die kolkende stroom van woorden en beelden, houvast als hij heeft aan de vaste koers van kapitein Márquez die de geschiedenis van de familie Buendía vertelt vanaf het moment dat zij Macondo stichten tot de grande finale wanneer, zoals in de nieuwe vertaling staat, 'de stad van de spiegels (of van de luchtspiegelingen) door de wind zou worden weggevaagd en uit het geheugen van de mensen verbannen (...).'

Maar Márquez vaart niet alleen voorwaarts, hij draait ook rondjes. In de meer dan honderd jaar eenzaamheid die het verhaal van de Buendía's omvat, wemelt het van de herhalingen of bijna herhalingen van gebeurtenissen en namen. Vooral de mannen zijn moeilijk uit elkaar te houden. Ze heten Aureliano of een variant daarvan (Aureliano José, Aureliano Segundo) dan wel José Arcadio of een variant daarvan (Arcadio, José Arcadio Segundo). Maar in de nieuwe vertaling wordt deze spiraalbeweging op een aantal plaatsen doorbroken omdat daar de verkeerde namen staan. Zo moet kolonel Aureliano Buendía op pagina 205 toch echt Aureliano Segundo zijn en Aureliano de Tweede op pagina 329 José Arcadio de Tweede. Slordig, maar je zou dit soort vergissingen natuurlijk ook kunnen beschouwen als een compliment aan de schrijver, die niet alleen zijn personages en zijn lezers maar kennelijk ook zijn nieuwe vertaler in verwarring weet te brengen.

Sabarte Belacortu's vertaling leest makkelijker dan de versie van Van den Broek. Die is licht archaïsch van toon en ook compacter en ritmischer, stuk voor stuk eigenschappen die Márquez' mythische verhaal extra cachet geven. Als het even kan grijpt Van den Broek zijn kans en heeft hij het over 'een maartse zondag' in plaats van over 'een zondag in maart'. En bij hem lees je niet 'Kolonel Aureliano Buendía begon tweeëndertig gewapende opstanden', maar 'Kolonel Aureliano Buendía gaf de aanzet tot tweeëndertig gewapende opstanden'. Maar soms schiet hij door en laat hij kolonel Aureliano niet simpelweg gevangen nemen maar 'in gevangenschap raken'.

Dit laat onverlet dat Van den Broeks vertaling 45 jaar later nog altijd een rechte rug heeft. Ik hoop daarom van harte dat hij niet zal worden geschrapt uit de catalogus van Meulenhoff nu er een nieuwe vertaling is. Dan kunnen we zelf kiezen tussen twee behoorlijk van elkaar verschillende versies van een van de verleidelijkste en tegelijkertijd ingewikkeldste romans uit de moderne wereldliteratuur, waarin jeugdherinneringen, nostalgie en geschiedenis zijn omgetoverd tot een krankjorum en tegelijkertijd waarachtig familieverhaal dat telkens weer verbijstert, diep ontroert en zowel somber als vrolijk stemt over de toekomst van Latijns-Amerika.

Niet verzonnen

In interviews werd Márquez niet moe uit te leggen dat bijna niets helemaal is verzonnen in Honderd jaar eenzaamheid. Te beginnen bij de openingszin, waarin twee jeugdherinneringen zijn samengesmolten. Zijn grootvader, kolonel Nicolás Márquez Mejía, nam hem een keer mee naar het circus. Toen hij hem vroeg wat dat vreemde dier was dat daar rondliep antwoordde zijn grootvader: een kameel. Nee kolonel, zo verbeterde een man naast hen, dat is een dromedaris. Zijn grootvader zei geen woord, om niet nog meer gezichtsverlies te lijden. Maar thuis zocht hij uit hoe het zat en legde dat daarna uit aan zijn kleinzoon. Op een andere dag was hij met zijn opa in de haven. Daar raakte hij voor het eerst bevroren vis aan (zeebrasem, om precies te zijn) en dacht even dat hij zijn hand had verbrand.