Gabbercultuur in ontroerende Woyzeck

Woyzeck van Georg Büchner. Regie: Peter de Baan. Gezelschap: RO Theater. 8 maart. Rotterdamse Schouwburg. Tournee...

MARIJN VAN DER JAGT

'Misschien zijn het de paddestoelen', zegt Woyzeck, in een poging het verwarrende bestaan te verklaren. Het Rotterdamse publiek grinnikt. Een paar jaar geleden was dit zinnetje nauwelijks opgevallen.

Nu denk je meteen aan de paddo, het populaire hallucinerende middel dat typerend is voor een tijd waarin bewustzijnsverruiming hand in hand gaat met escapisme.

Peter de Baan verwijst in zijn regie van Woyzeck naar de gabbercultuur. Regelmatig knalt er loeiharde, vormeloze stampmuziek uit de boxen en beginnen acteurs als stuiterballen te springen. Dansen en alles vergeten, dat zouden alle personages in deze voorstelling wel willen.

Woyzecks vriendin Marie popelt om mee te doen, er hoeft maar iemand op een trommel te slaan of Sabrina van Halderen begint vergenoegd met haar heupen te wiebelen.

Maar Woyzeck kan het niet. Het spookt te veel in zijn kop, hij kan zich niet laten gaan. Voor een pleziertje en een complimentje is Marie aangewezen op de Tamboer-majoor, door Cees Geel neergezet als een smakelijke, bronstige macho.

Ze gaan niet samen walsen, zoals Büchner dat anderhalve eeuw geleden opschreef. Dansen en vergeten is in deze voorstelling een solitaire bezigheid.

Zoals alle grote toneelwerken krijgt Büchners tekst steeds opnieuw betekenis, afhankelijk van de tijd en de plaats van opvoering. De recente stubbelingen in de artistieke leiding van het RO Theater vinden in de enscenering van De Baan geen weerklank. Hoogstens in de droefenis, onmacht en eenzaamheid die in deze vorostelling overheersen.

De Woyzeck van Stefan de Walle is van het begin af aan voor het leven op de vlucht. Hij lijkt afwezig, tuurt steeds in de verte achter de toeschouwers, waar hij in de eerste scène vuur aan de hemel zag verschijnen.

De actualiteit die in deze enscenering kruipt is die van de choquerende gezinsmoorden die de afgelopen tijd plaatsvonden in Nederland. De moord van Woyzeck op zijn geliefde Marie komt voort uit de onrust die zich in de voorstelling opstapelt.

Woyzeck mag dan geen aansluiting vinden bij het uitzinnige gedans achter hem, de agressie die uit de muziek spreekt vult het gat in zijn ziel. Hij zuigt de haat op van de opgefokte danser die als een Feyenoord-hooligan de kreet 'totdat er een jood sterft' blijft herhalen. Uiteindelijk neemt Stefan de Walle de brulstem over die je hoort in de muziek.

Meesterlijk bespeelt De Baan het decor van Niek Kortekaas: een oplopende halve cirkel, met daarachter een wijdse leegte die Kortekaas adembenemend mooi van kleur laat verschieten. Terugkerend beeld is de eenzame Woyzeck, gehurkt op dat halfronde toneel.

Net de kleine prins uit het beroemde verhaal van Saint-Exupéry, de enige bewoner van een verre planeet. Herhaaldelijk klinkt het sprookje uit Büchners tekst over een kind dat helemaal alleen op de wereld is. Dat is Woyzeck. En dat is aan het einde van deze ontroerende voorstelling ook het kind van Woyzeck, gespeeld door Maartje Simons als een te groot uitgevallen baby met doodse ogen.

Het kind rent uiteindelijk weg van de vader, maar in wezen rent het hem achterna.

Marijn van der Jagt

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden