Fritzi Harmsen: Miniem oeuvre, maar wel klassiek

Een week geleden overleed de excentrieke dichteres (81), die zich na een bohémienbestaan decennia terugtrok in Garnwerd.

Het was bedoeld als stimulans, toen de 47-jarige Frederice Martine (‘Fritzi’) Harmsen van Beek voor haar tweede dichtbundel Kus of ik schrijf (1975) de Van der Hoogtprijs kreeg. Achteraf betekende die bundel al een afscheid, van een productieve periode die tien jaar had geduurd. Vorige week overleed de schrijfster, die sinds 2007 in een verzorgingstehuis woonde, op 81-jarige leeftijd.

Twee bundels dus – naast de genoemde ook haar klassiek geworden Geachte Muizenpoot en andere gedichten (1965), vol woordvondsten en feestelijke melancholie. En dan nog een paar boekjes vol opmerkelijke zinnen. Wat knaagt?, uit 1968: ‘Onbeschrijflijk schoon en wonderbaarlijk zijn de ondervindingen der kruipende dames. Als verloofdes niet zo onvaak kropen zou een wereld voor ze opengaan.’ Neerbraak, uit 1969, met daarin onder meer de smartelijke tekst ‘13 manieren om in tranen uit te breken’ (de voorlaatste laatste is deze: ‘in een vreemd land overdag een kerk binnengaan als er een kinderkoor aan het repeteren is’). Plus het aanbiddelijke Paassprookje Gewone Piet & Andere Piet (1969). Daar stonden ook ragfijne tekeningetjes bij.

Dat laatste talent had Fritzi van haar ouders. Als kind hielp ze vader Eelco bij het inkleuren van zijn beroemde strip Flipje, ‘het Fruitbaasje van Tiel’, en moeder Freddie Langeler illustreerde kinderboeken. Al jong werden Fritzi en haar broer Hein wees, ze erfden een fortuin, en Fritzi hield op het vervallen landhuis Jagtlust in Blaricum tussen 1954 en 1971 permanent Boekenbal.

Vele schrijvers kwamen er feestvieren, Remco Campert trouwde met Fritzi (die in 1951 al een zoon had gekregen uit haar eerste huwelijk met een graaf), maar moest in 1958 zowel behuizing als huwelijk vaarwel zeggen omdat hij niet meer tot werken kwam. Na die uitbundige tijd, waaraan een eind kwam toen Fritzi in het Groningse Garnwerd ging wonen, werd haar naam bijna alleen nog in verband gebracht met slemppartijen en anekdotes van toenmalige bezoekers als Gerard Reve, Peter Vos of Cees Nooteboom, zoals opgetekend door Annejet van der Zijl in haar monografie Jagtlust (1998).

Op interviewverzoeken ging de dichteres al lang niet meer in, en zelfs had ze de rechten van haar werk bij uitgeverij De Bezige Bij teruggenomen, zodat haar bijzondere proza en vooral poëzie alleen nog antiquarisch te verkrijgen zijn. Wel bleef de academische belangstelling groot, in 2003 resulterend in een proefschrift van Annie van den Oever. Hoofdstelling daaruit: Harmsen van Beek schrijft grotesken, gewone woorden worden ongewoon gehanteerd, ze wil bestaande begrippen loslaten.

Vandaar ook het vermaarde gedicht, gericht ‘aan mijn neerslachtige poes’, dat opent met ‘Goede morgen? Hemelse mevrouw Ping/ Is u de zachte nacht bevallen, hebben de on/ deugende, geheimzinnige planten naar behoren/ gegeurd en zijn hopelijk geen van uw overige/ zuigelingen aan de builenpest bezweken?’

Tot haar ouders richtte ze de overdenking ‘Allerzielen 2 november 1974’, met de vraag ‘en hoe bevalt jullie het vliegen? (...) Wegen die vleugels/ je niet zwaar?/ Geen last van overbevolking of ver-/ vuiling, is het waar dat dieren er niet in mogen? Wèl,/ hè! O, dan ga ik en vast wij allen een schone toekomst/ tegemoet’.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden