BeschouwingHervertalingen

‘Fris, gloednieuw en volledig herzien’: wanneer is een boek aan een nieuwe vertaling toe?

Beeld Floor Rieder

Bij de nieuwe versie van Radetzkymars, de klassieker van Joseph Roth, komt de vraag op: waarom verschijnen er eigenlijk voortdurend nieuwe vertalingen? En hoe bepaal je wanneer er een nodig is?

Wie nu naar de boekhandel gaat voor Radetzkymars van Joseph Roth, heeft het voor het kiezen: een vorig jaar verschenen luxe-editie van de vertaling van W. Wielek-Berg uit 1980, herzien door de bekroonde vertaler Elly Schippers, in de zoveel-en-twintigste druk. Of de gloednieuwe vertaling van de Roth-expert Els Snick in een geïllustreerde uitgave van Van Oorschot, met een voorwoord van Geert Mak.

Echt vreemd is dat niet: Radetzkymars (1932) is de belangrijkste roman van de Joods-Oostenrijkse schrijver, in Nederland al tijden geliefd en veelgelezen. Het boek beschrijft de ondergang van de Habsburgse dubbelmonarchie aan de hand van de geschiedenis van het geslacht Trotta. Op de eerste pagina’s redt de stamvader van de familie het leven van de jonge keizer in de slag bij Solferino in 1859, waarna hij in de adelstand wordt verheven. Zijn heldendaad luidt tegelijkertijd het begin van het verval in, dat zich in de volgende twee generaties voltrekt. Schitterend schetst Roth hoe een wereld langzaam verdwijnt, met alle pijn en vervreemding die daarbij horen. Ontroerend is het portret van keizer Franz Joseph, die voelt dat hij steeds overbodiger wordt. Maar het gaat ook over vaders en zonen, over eenzaamheid, vriendschap, drankmisbruik – waarmee Roth maar al te goed bekend was. Kortom, een tijdloos meesterwerk dat op allerlei manieren relevant blijft.

Minder tijdloos zijn blijkbaar de Nederlandse vertalingen (ook vlak na de oorlog werd Radetzkymars al eens vertaald). Hoe komt dat? Waarom juist nu die nieuwe versie, de vorige is toch net herdrukt? En waarom zou je boeken überhaupt opnieuw vertalen?

Verjaren

Vertalingen verjaren, luidt doorgaans het antwoord. Het kan twintig, veertig of vijftig jaar duren, maar dan zijn ze aan vervanging toe, de leesbaarheidsdatum lijkt verlopen: te ouderwets, niet meer om door te komen. Dat gaat veel sneller dan bij boeken in de originele taal. Je zult niet gauw iemand horen zeggen dat Oeroeg (1948) van Hella Haasse of Gerard Reves De avonden (1947) nodig moet worden herschreven. Neem de openingszin van die laatste: ‘Het was nog donker, toen in de vroege morgen van de twee en twintigste December 1946 in onze stad, op de eerste verdieping van het huis Schilderskade 66, de held van deze geschiedenis, Frits van Egters, ontwaakte.’ Weinig lezers zullen zich verbazen over de spelling, de vele komma’s en de wat ouderwetse manier van formuleren: het is een oud boek, dat hoort erbij. En geen redacteur die het in zijn hoofd zou halen die zin in een herdruk maar eens om te gooien.

Zelfs bij Multatuli en Couperus is hertalen – het herschrijven van een tekst in modern, ‘leesbaarder’ Nederlands – nog altijd een bron van discussie. Met de vlottere, soms ingekorte versies van Nederlandse klassiekers is lang niet iedereen blij, ook niet als die een nieuw, jonger lezerspubliek aanspreken – handen af van de literaire canon!

Voor vertaalde boeken gaat dat kennelijk niet op. De vertaling is een afgeleide van het origineel, een van de vele mogelijke interpretaties van een werk, en heeft dus zelden zo’n onaantastbare status. Het maken van nieuwe, opgefriste versies stuit niet op verzet, maar is juist gewenst, en het gebeurt dan ook veelvuldig. Bijvoorbeeld bij uitgeverij Van Oorschot, waar de laatste maanden niet alleen de nieuwste Radetzkymars is verschenen, maar ook hervertalingen van John Steinbecks Ten oosten van Eden en de romans van Toergenjev, in de befaamde Russische Bibliotheek. Uitgever Mark Pieters: ‘Bij sommige vertalingen denk je op een gegeven moment: dit kan eigenlijk niet meer. Dat kan komen door slordigheden, maar ook door het woordgebruik van de vertaler – vooral jargon en slang doen snel verouderd aan. Dan staat er bijvoorbeeld: ‘Daar komen de juten’, als het over de politie gaat. Dat maakt een tekst heel tijdgebonden.’

Leesbaar Nederlands

Te ouderwets, te slordig, te letterlijk of juist te vrij: er bestaan allerlei redenen om een boek opnieuw te laten vertalen. Vaak is het een kwestie van smaak, van heersende normen: taal verandert, en daarmee veranderen ook onze opvattingen over wat leesbaar Nederlands is. Soms verandert de (wetenschappelijke) visie op een boek en komen nieuwe inzichten in de bestaande vertaling niet uit de verf. Of een vertaler denkt gewoon dat hij het beter kan dan zijn voorganger.

Als een vertaling om welke reden dan ook niet meer voldoet, zijn er twee opties. Pieters: ‘Soms is het voldoende om eens goed door de tekst heen te gaan, die wat vlotter te maken en bijvoorbeeld alle komma’s te schrappen die we nu niet meer zouden zetten. Dan kan zo’n vertaling weer een tijd mee.’ Een herziening dus, waarbij – dezelfde of een andere – vertaler de bestaande tekst bewerkt, zoals Elly Schippers in het geval van Radetzkymars. Of er komt een ‘echte’ hervertaling, waarbij de vertaler helemaal opnieuw begint, zoals Els Snick.

Over het algemeen kun je zeggen: hoe groter de canonieke status van een tekst, hoe groter de kans op hervertalingen. Van het werk van Homerus, Dante en Shakespeare, maar bijvoorbeeld ook van de Bijbel, zijn vaak meerdere vertalingen tegelijk in omloop, die soms vlak na elkaar zijn verschenen. Niet omdat de vorige alweer verouderd was, maar omdat die teksten op vele manieren te lezen – en dus ook te vertalen – zijn. Een prozavertaling van Dantes Goddelijke komedie brengt heel andere kwaliteiten van het werk naar boven dan een rijmende vertaling in verzen. En bovendien: welke vertaler uit het Italiaans wil er nou géén Dante op zijn naam hebben staan?

Commercieel

Het is niet alleen een kwestie van smaak en interpretatie, hervertalen heeft ook commerciële voordelen. Een ‘frisse, gloednieuwe, volledig herziene’ versie van een boek dat iedereen al kent is nu eenmaal makkelijker aan te prijzen dan een decennia oude vertaling die weer eens een nieuw omslagje heeft gekregen. En, ook niet onbelangrijk: zeventig jaar na de dood van de schrijver vervalt het auteursrecht en komen zijn werken vrij beschikbaar – voor uitgevers het ideale moment om een boek opnieuw op de markt te brengen, en flink wat kosten te besparen.

Toch zijn er ook vertalingen die het wél volhouden, die zoveel jaar na verschijnen nog steeds niet zijn vervangen – al blijven het uitzonderingen. Louis-Ferdinand Célines Reis naar het einde van de nacht (1932) verscheen in 1968 in de vertaling van E.Y. Kummer – ook bij Van Oorschot – en is nog altijd verkrijgbaar. Niet dat ze geen hervertaling hebben overwogen, zegt uitgever Mark Pieters. ‘Zoiets zou, ook commercieel, voor ons erg interessant zijn. We hebben de tekst zelf goed bekeken en een vertaler laten meelezen. Het bleek gewoon niet nodig, de vertaling was nog soepel en modern genoeg. Het zou geforceerd zijn geweest om dan toch een nieuwe te laten maken.’

Bang voor de reacties

Hoe zit dat bij Radetzkymars? Waarom was dit boek wel aan een nieuwe vertaling toe? Vertaler Els Snick, tevens voorzitter van het Joseph Roth Genootschap, hoorde vaak van lezers dat ze bleven steken in de vertaling. ‘Dat vond ik zo zonde, bij een boek waarvan ik zoveel houd. Radetzkymars moet juist vlot lezen: in het Duits vloeien de woorden van de pagina, waar je het ook openslaat.’ Het boek verdiende een mooie nieuwe uitgave, vond ze, ook al omdat in de Duitse tekst onlangs enkele verbeteringen zijn aangebracht.

Snick, die eerder vooral journalistiek werk van Roth vertaalde, was wel even bang voor de reacties. ‘Veel mensen hebben het boek al in huis, die zouden de versies gaan vergelijken. Er speelde ook een gevoel van collegialiteit mee, ik deed toch het werk van iemand anders over. Halverwege las ik een bericht op Facebook: wat zal er dan beter zijn aan die nieuwe vertaling? Toen ben ik helemaal opnieuw begonnen, met de eerdere vertalingen erbij. Gelukkig zag ik op elke pagina zo veel verschil dat ik dacht: het is goed, er is voldoende reden om dit te doen.’

Dat verschil zit hem vaak in kleine dingen. Snick laat officiers elkaar treffen bij de ‘officiersclub’ en niet langer in het ‘casino’ – een nogal misleidende vertaling van het Duitse ‘Offizierskasino’. De ‘pijp van klei’ uit de oude vertaling is een ‘stenen pijp’ geworden. En twee soldaten komen na de aanslag op de keizer niet ‘aangalopperen’, maar ‘aanrennen’ – wat het Duitse ‘galoppieren’ hier inderdaad moet betekenen.

Ander effect

Er zijn ook grotere, moeilijker aan te wijzen verschillen. De mensen klinken anders, hun dialogen zijn vloeiender, geloofwaardiger. De moeizame gesprekken tussen vader en zoon Trotta zijn juist weer lekker houterig. De hele toon van het boek lijkt veranderd: subtieler, ironischer vooral. Tijdens een inspectie van de troepen verschijnt er een druppel aan de neus van de oude keizer, waarnaar iedereen gespannen (‘gebannt’) blijft staren. Als de druppel eindelijk in zijn volle, zilverwitte snor valt, slaken ze bij Snick ‘een zucht van verlichting’. In de vorige vertaling kijken ze ‘gefascineerd’ en wordt het allen ‘licht om het hart’, een letterlijke weergave van de Duitse uitdrukking. Toch een ander effect.

Of neem de cruciale passage in het eerste hoofdstuk, waarin de stamvader van de Trotta’s de keizer op het slagveld voor een kogel behoedt. In de herdrukte vertaling klinkt dat zo:

‘Met beide handen greep hij de schouders van de monarch om hem op de grond te drukken. De luitenant had waarschijnlijk te hard gegrepen. De keizer viel direct om. Zijn begeleiders stortten zich op de gevallene.’

Els Snick maakt daarvan:

‘Hij greep met beide handen naar de schouders van de monarch om hem omlaag te duwen. Waarschijnlijk deed hij dat wat al te heftig. De keizer viel om. Zijn begeleiders lieten zich meteen bovenop hem vallen.’

Beide vertalingen geven een getrouwe weergave van het Duits (al kun je twisten over de details), de woordkeuze is niet eens zo verschillend. Toch lijkt de tweede versie minder stroef, de zinnen volgen elkaar natuurlijker op, alleen al door het weglaten of verplaatsen van bepaalde woordjes (‘waarschijnlijk’, ‘direct’). Net als in de Duitse Radetzkymars vloeit de taal bij Snick van de pagina.

Kunnen we de vorige vertaling dan wel wegdoen? Dat zou zonde zijn, alleen al om de rol die het boek heeft gespeeld bij de verspreiding van Roths werk in Nederland. Voor veel lezers zal deze Radetzkymars de eerste kennismaking met de schrijver zijn geweest: de heruitgave ervan in 2001 vormde het begin van een heuse Roth-revival. Het mooie aan vertalingen is juist dat ze naast elkaar kunnen bestaan. Ze geven boeken telkens een nieuw aanzien, met steeds andere accenten. Bevalt deze versie je niet, dan kun je het later altijd nog eens proberen, of juist teruggrijpen op een dierbare voorganger. Bijna sneu voor de Duitse lezers, met hun ene Radetzkymars.

Beeld Van Oorschot

Joseph Roth: RadetzkymarsUit het Duits vertaald door Els Snick. Van Oorschot; 448 pagina’s; € 32,50.

Ook opnieuw vertaald

Joseph Roth: TarabasL.J. Veen Klassiek; € 10.
Een naar New York uitgeweken Rus keert in 1914 terug naar Europa om bij het leger te gaan. Het vechten en moorden bevalt hem meer dan uitstekend, zijn ster rijst snel. Maar dan wordt het vrede. Joseph Roth publiceerde Tarabas in 1934 bij exiluitgeverij Querido. Schrijver, vertaler en verzetsman Nico Rost maakte de eerste vertaling, voor het laatst herdrukt in de jaren vijftig. Van Elly Schippers, die Radetzkymars herzag en al vele andere romans van Roth vertaalde, is er nu een nieuwe versie van dit meeslepende boek.

Toergenjev: Romans. Van Oorschot; € 50.
Sinds een jaar of tien is uitgeverij Van Oorschot bezig met het vernieuwen van de vertalingen in de Russische Bibliotheek. De prachtige, ingetogen romans van Toergenjev, over het plattelandsleven in 19de-eeuws Rusland, zijn sinds kort verkrijgbaar in de nieuwe vertaling van Froukje Slofstra, eerder bekroond voor haar vertaling van Vasili Grossmans Leven & lot. In het nawoord laat zij haar legendarische voorganger Karel van het Reve – vaak briljant, soms erg slordig – buiten beschouwing.

Arthur Schnitzler: De jonge weduwe. Borgerhof & Lamberigts; € 21,99.
Oud-televisiemaker en Arthur Schnitzler-liefhebber Jef Rademakers kwam er pas tijdens het vertalen van De jonge weduwe (1901) achter dat iemand hem voor was geweest. De roman over een jonge, Weense weduwe die haar jeugdliefde op het spoor komt, was volgens het nawoord al in 1918 onder een andere titel verschenen als ‘piepklein damestasboekje’, vertaald door ene J. van der Niepoort. Enkele vondsten van zijn – ongetwijfeld allang overleden – collega heeft Rademakers dankbaar overgenomen.

Sue Townsend: Het geheime dagboek van Adrian Mole 13 ¾ jaarCondor; € 19,99.
Deze bestseller uit 1981 kon waarschijnlijk wel een nieuwe vertaling gebruiken; in de oude uit 1985 was de naam Adrian nog vernederlandst tot Adriaan. Vertaaldebutant Sylvia Witteman maakt de beslommeringen van de Britse tiener ook weer leuk voor de pubers van nu. Opmerkelijk: een grote foto van Witteman op het achterplat, terwijl vertalers vaak niet eens met hun naam op het omslag staan.

Émile Zola: Het meesterwerkUitgeverij Oevers; € 24,95.
De Britse schrijver Julian Barnes noemde Het meesterwerk (1886) van Émile Zola eens ‘de beroemdste roman over kunst’. In Nederland valt dat nog te bezien: de geschiedenis van de dwarse kunstenaar Claude Lantier, die het in Parijs wil maken, verscheen hier voor het laatst in 1982, verstopt in een omnibus. Lidewij van den Berg en Marijke Scholts maakten deze nieuwe vertaling, met een verhelderend nawoord van Zola-kenner Marjolein van Tooren.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden