Fries Museum wijdt tentoonstellingsruimte aan een buitengewoon boeiend leven Dansende spionne in Mata Hari-zaal respectvol herdacht

Het Fries Museum in Leeuwarden heeft vanaf morgen een nieuwe zaal gewijd aan Mata Hari - en de eerste boze brief is al binnen....

Van onze verslaggeefster

Greta Riemersma

LEEUWARDEN

Ja, in 1976 kwam er een beeldje in de straat waar Mata Hari heeft gewoond, omdat het toen honderd jaar geleden was dat ze daar als Margaretha Zelle ter wereld kwam. Maar alleen dat beeldje leverde al een stroom van ingezonden brieven op in de Leeuwarder Courant. Strekking: in onze goede stad kunnen we toch niet een hoer gaan eren met een standbeeld?

Als het aan het Fries Museum ligt, kan Leeuwarden straks niet meer om Mata Hari heen. Niet dat conservator Koopmans wil horen van de woorden rehabilitatie of eerbetoon. Maar de nieuwe expositie zal het beeld rond deze danseres-courtisane-spion nuanceren, hoopt hij. 'Het is een respectvolle behandeling van een buitengewoon boeiend leven.'

De complimenten zijn voor de kunstenaars Tilly Buij en Gerard Groenewoud, die de opdracht kregen de Mata Hari-zaal in te richten. Ook zij denken dat 'het eendimensionale beeld' dat vooral ouderen van Mata Hari hebben, enigszins zal worden bijgesteld. 'Maar we zijn natuurlijk niet de eersten en enigen die dat doen', nuanceert Groenewoud zichzelf.

Wat ze dan precies voor ogen hebben, het Fries Museum en Buij & Groenewoud, begint bij die eerste persoon die serieus werk maakte van Mata Hari's leven: Sam Waagenaar. In de jaren zestig publiceerde hij hét Mata Hari-boek dat een einde maakte aan veel geruchten. Voor die tijd deden de wildste verhalen over haar de ronde. Waarom liet zij bijvoorbeeld alles van zichzelf zien tijdens haar beroemde dans met de zeven sluiers, behalve haar borsten? Had haar echtgenoot haar een tepel afgebeten?

Waagenaar werd van de weeromstuit collectioneur. Hij kreeg de plakboeken in handen waarin Mata Hari haar publieke leven had gedocumenteerd. Hij verzamelde foto's, artikelen, geluids- en filmfragmenten. Begin jaren negentig deed hij zijn spullen over aan de Mata Hari Stichting in Leeuwarden, die was opgericht om de collectie bijeen te houden. Later werd het bezit aangevuld met de verzameling van een andere Mata Hari-geïnteresseerde: die van de Leeuwarder journalist Henny Keikes. Zo werden er een servet met monogram, en nog meer foto's en knipsels aan toegevoegd. Na lang beraad en veel 'overspannen plannen', aldus Koopmans, besloot de stichting dat het Fries Museum zich mocht ontfermen over de boedel.

Het museum, destijds bezig met een gigantische verbouwing die in april 1995 klaar was, zag er wel wat in. Het zou verrassend kunnen zijn voor bezoekers: kunst, een historische afdeling, het verzet in de Tweede Wereldoorlog, en hé, ook nog Mata Hari. 'Wat een grappig museum is het toch', hoopte Koopmans dat de reactie zou luiden.

Maar, dat besefte hij meteen, een normale presentatie zou met het weinige materiaal niet mogelijk zijn. Mata Hari had een reizend bestaan. Bovendien werd tijdens het proces in Frankrijk, dat voor Mata Hari in 1917 eindigde voor het vuurpeloton, beslag gelegd op haar spullen in een Parijse hotelkamer. Met de opbrengst werd de rechtszaak betaald, en zelfs de kogel. De inboedel van haar Haagse huis kwam eveneens op een veiling terecht, om de schulden die ze had af te betalen. Wie wat kocht, valt inmiddels moeilijk te achterhalen.

Hoewel het museum nog wel de beschikking kreeg over een parfumflesje en de kopieën van haar rechtszaak, 1500 A-4tjes, kan het 'allemaal in de kofferbak van een auto', aldus Koopmans. Wat dus te doen? Alles in één vitrine wegzetten in een hoekje van het museum? 'Dan ben je als conservator geen knip voor de neus waard.' Het museum nodigde Buij en Groenewoud uit, twee Leeuwarder kunstenaars die eerder beelden ontwierpen voor de gevel van het verbouwde museum. Zij moesten van de Mata Hari-zaal 'iets bijzonders' maken.

Hoe bijzonder, valt een paar dagen voor vrijdag de dertiende, de openingsdag, niet volledig vast te stellen. Buij en Groenewoud verkeren tussen een aluminium steiger, dozen, emmers, bezems en een stofzuiger. Ze zijn net klaar met behangen. Her en der staan sierlijke, maar lege vitrines.

Maar wat de sfeer in de ruimte moet worden, is duidelijk. Het licht is er lekker diffuus en rozig. Dat komt vooral door het behang in pasteltinten dat de kunstenaars zelf hebben ontworpen. Ze lieten foto's maken van tatoeages op een schouder, buik, rug en borst, vergrootten deze uit, en plakten er de wanden mee vol zodat het een Frans behangetje lijkt uit de vorige eeuw - met leeuwen, lotusbloemen, lelies en archiefstukken van haar rechtszaak.

In dat behang hebben Groenewoud en Buij zich uitgeleefd, verder houden ze het sober, leggen ze uit. Al snel nadat ze de opdracht kregen, gingen hun gedachten uit naar het Flaubert-museum in diens geboortehuis in Rouen. Daar is zo weinig te zien, een pen en anderhalf blaadje, maar voor 'fetisjisten' is dat weinige al de moeite waard, meent Groenewoud. Zo moest ook de Mata Hari-zaal worden: géén Mata Hari-likeuren, bonbons en andere uitbaterij, maar vooral authentiek materiaal van de Stichting Mata Hari en wat het museum verder had vergaard.

Daar komt bij dat de kunstenaars niet houden van al te spectaculaire toestanden in musea, de experience-aanpak die in de mode is, met veel video en geluid. Buij: 'Dat is de Joop van den Ende-aanpak. Dan gaat het om het verkopen van het product, niet om de kwaliteit.' Het zou ook te 'voorgekookt' zijn, vinden ze. Zij wilden vooral ruimte laten voor de verbeelding. In hun zaal dus niet bij elk voorwerp of archiefstuk een bordje met informatie. Ze hopen hooguit de blik van de bezoeker te kunnen sturen.

Maar waarnaar toe? Naar vitrines van kersenhout die steunen 'op vrouwelijke pootjes'. Naar grote doeken aan de wand met portretten van Mata Hari, doeken die zachtjes waaieren als je er langs loopt, zoals haar zeven sluiers ooit. 'Dat waaieren heeft iets vrouwelijks', zegt Groenewoud. En in het midden van de ruimte staat een tête-à-tête-vitrine, geïnspireerd op de tête-à-tête-bank uit vroeger tijden, en op vrouwelijke rondingen. Het wordt een intiem hoekje, afgescheiden door een doek met de enige bijna-naaktfoto die van haar bestaat.

'Het wordt een mengeling van een boudoir en een museum', zegt Buij. En in die tegelijk zwoele en sobere sfeer moet de geest van Mata Hari rondwaren. Haar vrouwelijkheid, haar schoonheid, hoe fotogeniek ze was, hoe ze haar leven vormgaf, hoe ze steeds in andere rollen kroop. 'Wat ze deed, deed ze goed. Anders zouden niet zo veel mensen in haar hebben geloofd' - tot 1917 althans.

Het was 'zweten' om de opkomst en ondergang van deze vrouw over te brengen, want Groenewoud en Buij zijn kunstenaars, 'en dan ben je zelf ook belangrijk'. Maar het was Mata Hari zelf die hen teruggedrong. 'We voelden steeds duidelijker dat we van haar af moesten blijven, uit respect', zegt Groenewoud. 'Ze was zelf ook kunstenares.'