Francofiel Bart Van Loo poogt de keizer in de bredere context van de revolutie te plaatsen

Wie dacht dat het er dezer dagen in Frankrijk heftig aan toe gaat, moet eens een boek opslaan over de Franse revolutie. Geen mens was zijn leven zeker. Bendes trokken rovend en plunderend door de straten, leiders van vandaag konden morgen onder de guillotine belanden. Opeenvolgende regimes hadden een wreedheid die niet voor IS onderdoet en schaamden zich daar niet voor. De vertegenwoordigers van het volk zullen onversaagd 'de eindeloze dodenakkers vol samenzweerders doorkruisen en marcheren over ruïnes om het geluk van de natie en de wederopbouw van de wereld te bewerkstelligen'. De woorden zijn van Joseph Fouché, die in Zuid-Frankrijk in enkele weken zestienhonderd tegenstanders liet vermoorden. Ze passen zo op hedendaagse terreurwebsites.

In zo'n onstuimige tijd kunnen carrières snel gemaakt worden. In 1792 lijkt het met de promotiekansen van de 23-jarige luitenant Napoleone Buonaparte slecht gesteld. Dat hij op zijn geboorte-eiland Corsica zijn troepen liet opmarcheren tegen de Fransen, bezorgde hem een slechte reputatie. Maar Napoleon kan praten als Brugman en is een knap strateeg. Zijn stelregel: 'Als je partij moet kiezen, dan liever de winnende.' Dat hij zijn kaarten heeft gezet op de Jakobijnen, betaalt zich uit. Hij krijgt de leiding over de aanval op het door de Britten beschermde Toulon. Met zijn eerste overwinning vestigt hij zijn reputatie van voortvarend aanvoerder.

The rest is history, zou je zeggen. Hoe Napoleon bijna heel Europa aan zijn voeten kreeg, zijn leger in Rusland de dood injoeg, verbannen werd naar Elba, in Waterloo definitief werd verslagen en zijn laatste dagen sleet op Sint Helena - we weten het wel. Twee Vlamingen dachten daar anders over. Ze voegen ieder een kloek boekwerk toe aan de vele meters Napoleon-literatuur.

Details

Wie dat doet, moet goede redenen hebben. Die van journalist Johan Op de Beeck zijn duidelijk. Hij is in de ban van de napoleontische tijd. Van keizer tot mythe, het tweede en laatste deel van zijn biografie, is al zijn vierde boek hierover. Op de Beeck is een man van de details, die de veldslagen tot in de kleinste schermutselingen uitserveert. Levendig vertelt hij over de reis van anderhalve maand van Napoleon in het najaar van 1811 door Nederland. De keizer is onvoorspelbaar als altijd. Hoogwaardigheidsbekleders staan vergeefs op hem te wachten; de triomfboog van Alkmaar zal hij nooit met eigen ogen zien. Het land is door de Frans-Engelse oorlog verarmd, de handel is stilgevallen. Napoleon is niet overal populair. In Rotterdam moet de bevolking alle bloempotten uit de vensterbanken verwijderen als de keizer komt. 'Hij zag er erg dik uit en een beetje krom', constateert de Amsterdammer Willem de Clercq, die de feestelijke intocht vanuit een raam op de Kalverstraat gadeslaat.

Zo minutieus als Op de Beeck die reis door Holland beschrijft, zo vertelt hij diens hele leven na. Dat levert geen splijtende nieuwe visie op, ook in de slotbeschouwing toont hij zich een behoedzaam beschouwer bij wie goed en kwaad tegen elkaar wegvallen. Op de Beeck weet zo veel over Napoleon dat het hem verhindert een ferm oordeel te vellen.

Verwarrend

Bart Van Loo kennen we als omnivoor en exegeet van alles wat Frans is. Eten, liedjes, quizzen, literatuur - geen middel laat hij onbenut om zijn liefde te delen.

Dat Napoleon ooit zijn pad zou kruisen, was bijna onvermijdelijk. Geen man immers was zo bepalend voor de jongste twee eeuwen Franse geschiedenis. Van Loo heeft geen rechttoe rechtaan verhaal willen vertellen. Hij plaatst de keizer in de bredere context van de revolutie. Een logische gedachte: zonder de chaos van de revolutie had de ster van de kleine korporaal nooit zo snel kunnen stijgen.

Maar voor het boek blijkt die vermenging verwarrend uit te pakken. Telkens als je bij Napoleon achter op de schimmel Europa aan je voeten wilt zien liggen, wordt de vliegende vaart geremd door de perikelen van Robespierre, Danton of het Directoire. Het dwingt de schrijver tot sprongen vooruit en achterwaarts, die de verbrokkeling vergroten. Ook na 1799, als Napoleon eerste consul wordt en de revolutie en zijn schaduw beginnen samen te vallen, houdt die tweeslachtigheid aan.

Op de huid

Wat niet wegneemt dat Van Loo een bij vlagen meeslepend boek schreef dat, anders dan Op de Beeck, de keizer dicht op de huid kruipt. Bij hem lezen we niet alleen over de veldslagen, maar ook over de gewoonte zijn pen aan zijn broek af te vegen en over de lunch die hij elke dag in tien minuten naar binnen werkt.

Het beste deel van zijn Napoleon heeft Van Loo voor het laatst bewaard. In zijn epiloog neemt hij met reuzenstappen de beeldvorming door. Waarbij hij ook de Terreur in perspectief plaatst: enkele tienduizenden stierven onder de guillotine, terwijl Napoleon goed is voor 3,25 miljoen doden.

Bij beide auteurs krijgt de keizer het laatste woord. 'Elke dag verdampt de herinnering aan mijn tirannie een beetje meer', zegt hij bij Van Loo. Op de Beeck eindigt met: 'Ik heb geluk gezocht, maar niets dan glorie gevonden.' Zo presenteren ze eensgezind een keizer die zichzelf in perspectief wist te plaatsen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.