Foltering in naam van de Verlosser

MUZIEK..

ANTWERPEN Wie de kwaliteit van een samenleving graag afmeet aan de mate waarin die vorm heeft gekregen vanuit een christelijk verleden – een gedachte die nogal terrein wint – kan zijn hart ophalen bij Verdi’s Don Carlos in de Vlaamse Opera in Antwerpen. Foltering en genocide in naam van de Verlosser liggen in dit stuk permanent op de loer. Brandstapels markeren de spirituele horizon.

Aan Friedrich Schiller, op wiens toneelwerk Verdi zich baseerde, dankt de opera haar christelijkste moment, wanneer de Spaanse koning Filips II, hoeder van het geloof, zich afvraagt of hij behalve de ‘Vlamingen’ ook zijn eigen zoon Carlos kan laten slachten. Het bevestigende antwoord van de grootinquisiteur (‘Ook God offerde zijn zoon om ons allen te redden’) is van een gevatheid waar Vlaams Belang en Geert Wilders nog een punt aan kunnen zuigen.

Dat er anno 1864, vlak voordat Verdi aan zijn opera begon, nog een paus was die zich officieel tegen de vrijheid van meningsuiting keerde, betekent veel in het licht van Don Carlos. In de dreiging van koperkoralen en trombone-alarm hoor je Verdi’s antipapisme van zijn somberste kant.

Dirigent Alexander Joel blijkt een betrouwbaar coördinator voor de sopraan Susanna Branchini (uitstekende Elisabeth), de mezzo Marianna Tarasova (voortreffelijke Eboli), de tenor Jean-Pierre Furlan (redelijke Carlos) en de bas Francesco Ellero d’Artegna (matige Filips). Hij leidt het stuk in de zogenoemde Parijse versie.

Inbegrepen is een groot dansintermezzo. Ook hersteld is de dramaturgisch onmisbare openingsakte, waarin Carlos en de Franse prinses Elisabeth liefde ervaren op het eerste gezicht, en vader Filips de prinses opeist als bruid en als politiek onderpand. Het was de regisseur die op restauraties aandrong: Peter Konwitschny, exponent van het Duitse regisseurstheater. Zijn recente Amsterdamse enscenering van Strauss’ Salome ligt, het tegendraadse happy end incluis, nog vers in het geheugen.

Ook in zijn sober vormgegeven Don Carlos, oorspronkelijk geregisseerd voor de Weense Staatsopera in 2004, geeft Konwitschny blijk van een scherp oog voor dramaturgie, en een onbedwingbare behoefte de gevolgen daarvan op hun kop te zetten.

Het eerste is geen overbodige luxe, als het gaat om een opera waarin geloof, privézaken, staatszaken, openbare orde en het heil van diverse Europese volkeren in luttele noten door elkaar kunnen lopen. Maar Konwitschny’s omkeerbehoefte leidt hier tot theater dat naar zoveel verwijst, dat het nergens meer over gaat.

Een bepaald soort humor zit in Konwitschny’s eerste koorscène, op een rij gezet als in een Bulgaarse reisopera. Speciale humor zit in de grote balletscène: hier een ‘droom’ van de doortrapte hofdame Eboli, thans het mimend middelpunt van een huismussenhuwelijk met een grauwe kantoorman (Don Carlos), dol op bloemetjesbehang en pizza’s op bestelling. Humor zit in een klagende Filips II, die liefde van Elisabeth tekort komt, maar in zijn kermisbed intussen Eboli op bezoek heeft.

Konwitschny’s meesterstuk zit in een ‘pauze’ die geen pauze is, maar een pseudo-mediaspektakel, met camera’s die door wandelgangen struinen; monitoren; een tv-chick die de komst verbeidt van ‘het koningspaar’; met Vlaamse geketenden die door de zaal naar het podium worden gerost, waar de muziek van Verdi’s autodafé-scène al begonnen is, tegenover tetterend koper vanaf de balkons.

Knap en niet onleuk. Maar wij ‘Vlamingen’ hadden, misschien in tegenstelling tot Konwitschny, nog een speciaal appeltje met Filips II te schillen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden