Boeken

Flip van Doorn brengt een hartverwarmende ode aan zijn nieuwe Friese vaderland ★★★★☆

Van de Noord-Duitse kust tot aan Rome verkent Flip van Doorn zijn Friese wortels. Langzaam, lyrisch en beeldend beschrijft hij de schoonheid van stad en land. Een hart­verwarmende ode.

null Beeld Martyn F. Overweel
Beeld Martyn F. Overweel

Aurich heet het stadje in Oost-Friesland. Het Duitse Oost-Friesland. Een land van lage boomwallen en glooiende zandruggen. Flip van Doorn is er op zoek naar de Upstalsboom, de middeleeuwse vergaderplaats van vertegenwoordigers van de ‘Zeven Friese Zeelanden’. Want in die tijd reikte Friesland van het Zwin, bij Vlaanderen, tot aan Denemarken. Zeven Friese Zeelanden waren er, vandaar de zeven pompeblêden op de Friese vlag. En daar bij de Upstalsboom werd het Friese recht gesproken. Aldus het verhaal. Op weg naar die historische plek passeert Van Doorn een plaatstalen wachter met aan zijn voeten de woorden: Eala Frya Fresena. ‘Gegroet, vrije Friezen.’ Maar verderop staat geen boom meer. Slechts een logge stapel stenen met een stenen bol erop. Het is er stil.

Van Doorn is geen Fries. Zijn grootvader was Fries. Die woonde niet in Friesland maar ‘altijd en overal droeg hij Friesland in zijn hart’. En dat was besmettelijk. Toen Van Doorn vanuit de Randstad naar Friesland verhuisde, was dat voor hem ‘een soort remigratie’. Hij was als kind wel in Leeuwarden geweest, met zijn grootvader, maar daar kon hij zich vrijwel niets van herinneren. En dus besloot hij op reis te gaan om zijn nieuwe vaderland te verkennen.

Elf reizen

Elf reizen werden het. Langs dorpen en stadjes, naar terpen met oude kerkjes, oprijzend te midden van drooggelegde kreken en verdwenen zeeën. Van Doorn schrijft langzaam, lyrisch, beeldend. De Friezen verveelt geen moment. Hij schildert een oeroud landschap verminkt door stormvloeden, rücksichtslose veenafgravingen, de ruilverkaveling, door de maïs en het raaigras. Maar ondanks alles blijft hij verliefd. Friesland is zijn thuis. ‘Altijd ben ik blij’, schrijft hij, ‘wanneer op de weg terug naar huis de horizon zich opent, de luchten hoger reiken en de bebouwing schaarser wordt.’ Echte Friezen verzuchten op zo’n moment: ‘Heitelân!’ Van Doorn durft het nog nét niet.

Hij voert de lezer mee naar de Noord-Duitse kust, waar de laatste echte terpen te vinden zijn. Hij gaat naar Rome natuurlijk, met zijn Friese kerkje. En naar Zwitserland. Want de vrijgevochten Zwitsers beschouwen de Friezen als hun Väter. Terwijl heel Europa zuchtte onder feodaal bestuur, waren de Friezen een volk zonder knechten of meesters. Een lichtend voorbeeld voor de Zwitsers, die toen kreunden onder het juk van de Habsburgers. De inwoners van het Haslital, niet ver van Altdorf, beweren nog steeds dat ze van Friese komaf zijn. En Van Doorn reist verder, naar de oorsprong van de Rijn. Want daar ligt ook de oorsprong van Friesland: ‘De kalkrijke klei van de geeltjes waarmee de Friezen hun boerderijen bouwen en erven bestraten, de roodbakkende klei van de kloostermoppen, de vette zeeklei waarin ze hun aardappelen verbouwen – allemaal zijn ze afkomstig uit dit hooggebergte.’

Weer thuis zoekt hij het hart van dat aangeslibde land. Hij vaart in een schuitje naar Aegum, niet ver van Grou. Volgens een oud rijmpje ligt daar het middelpunt van Friesland. Pompeblêden dobberen op de golfjes, hazen schieten weg, paarden grazen, wéér die hoge luchten en verdomd, vlak bij het kerkje ligt het hart van Friesland. Dat zegt een verweerde stenen tegel. Maar Van Doorn aarzelt. ‘Sindsdien is de Afsluitdijk aangelegd, nieuwe polders zagen het licht en de Waddeneilanden wandelen onafgebroken voort.’ Misschien is dat wel de kern, constateert hij, ‘dat niets vastligt, zelfs de bodem niet’. Hij zet koers naar Leeuwarden.

Stillevens

Elf keer keert Van Doorn huiswaarts met een rugzak vol verhalen, samengebracht in deze hartverwarmende ode aan zijn nieuwe vaderland. Wat meer aandacht voor het Friese nationalisme en voor de strijd rond de Friese taal had gekund. Of voor het Oera Linda-boek, die quasi-mythische geschiedenis der Friezen, geschreven door (weten we nu) Piet Paaltjens, die ruim een eeuw geleden tot heftige ruzies leidde. Want dat kunnen Friezen goed: ruziemaken. Er zijn niet voor niets twee wedstrijden skûtsjesilen. Als dit boek een manco heeft, dan is het toch het ontbreken van de Friezen zélf. Ze zijn koppig, ondernemend, vrijheidslievend, lezen we – maar ze komen niet aan het woord. Van Doorns gloedvolle beschrijvingen van stad en land zijn stillevens. Het aantal citaten is op de vingers van één hand te tellen.

Misschien kwam het door de taal. Van Doorn deed zijn best. Hij volgde de officiële Friese taalcursus, maar ‘probeer ik het Frysk in het dagelijks leven toe te passen, dan word ik door geboren Friezen steevast ontmaskerd en krijg ik de vraag of ik de cursus heb gevolgd’. Het komt door zijn uitspraak. Maar ook: ‘het’ Fries bestaat niet. Nadat hij voor de zoveelste keer op de vingers is getikt, gaat Van Doorn in het Frysk woordenboek op zoek naar het juiste woord voor de bekende bruine rietsigaar (de bloeiaar van de lisdodde). Doezebout, lampepûtser, moddersnyl… er zijn er twintig. ‘Een waaier aan bjusterbaarlik mooie woorden.’

Bjusterbaarlik, dat is Friesland.

null Beeld Thomas Rap
Beeld Thomas Rap

Flip van Doorn: De Friezen. Thomas Rap; 416 pagina’s; € 24,99.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden