boekrecensie

Fleur Jaeggy overtuigt met ijskoud proza vol spanning en suggestie ★★★★☆

De Zwitsers-Italiaanse Fleur Jaeggy brak ooit door met deze mooie kostschoolroman, die nu weer in het Nederlands beschikbaar is. In een bondige stijl vertelt zij over een bijzondere liefdesrelatie.

Emilia Menkveld
Fleur Jaeggy in Turijn, mei 1995. Beeld Leonardo Cendamo
Fleur Jaeggy in Turijn, mei 1995.Beeld Leonardo Cendamo

Hij doet echt zijn best, de journalist van The New Yorker die Fleur Jaeggy (Zürich, 1940) onlangs te spreken kreeg voor een zeldzaam interview. In haar appartement in Milaan vraagt hij de Zwitsers-Italiaanse schrijfster naar haar vriendschap met Ingeborg Bachmann, Oliver Sacks en Joseph Brodsky. Naar haar pas overleden echtgenoot, de vooraanstaande Italiaanse uitgever en schrijver Roberto Calasso. Naar haar oudere werk en huidige bezigheden.

Het antwoord bestaat meestal uit slechts een paar woorden (‘schrijven interesseert me totaal niet’). Ja, haar geliefde groene typemachine, bijgenaamd Hermes, daar wil ze wel over uitweiden.

In haar romans en verhalen is Jaeggy al net zo kort van stof. Haar literaire stijl is zó bondig, zó geslepen. ‘Zelfs de spaarzaamste Italiaanse dichter schrijft langere zinnen’, merkte vertaler Frans Denissen eens op. Zijn prachtige vertaling van SS Proleterka, over een bevoorrecht maar emotioneel verwaarloosd meisje dat een bootreis maakt met haar vader, was vorig jaar genomineerd voor de Europese Literatuurprijs.

Nu verschijnt bij uitgeverij Koppernik ook de korte roman waarmee Jaeggy in 1989 doorbrak. Alleen nog niet in Nederland. De gelukzalige jaren van tucht speelt op een Zwitsers internaat in het kanton Appenzell en heeft net zo’n soort meisje als protagonist. (De schrijfster is zelf jaren op kostschool geweest.) De herziene vertaling van Annegret Böttner en Leontine Bijman doet dit kleinood recht.

Benauwend

Al op de eerste pagina maakt Jaeggy het haar lezers benauwd. In Appenzell, vertelt de ik-figuur, krijg je voortdurend het gevoel dat zich in de huizen, achter de keurige, witomlijste ramen met bloemen in de vensterbank, ‘koel-sombere, enigszins ziekelijke dingen afspelen. Een Arcadië van ziekelijkheid.’ Aan de andere kant van de vensters roept het berglandschap een ‘heilig moeten’ op.

Van dat moeten trekt de verteller zich weinig aan. ‘Ik deed Frans en Duits en algemene ontwikkeling. Ik deed helemaal niets.’ Liever droomt ze van de echte wereld en de dag van vertrek, die onbereikbaar ver weg lijken. Haar eenzaamheid is peilloos. Moeder zit in Brazilië en geeft het schoolbestuur via brieven instructies over haar dochter, die zelf nooit iets van haar hoort. Vader woont permanent in hotels en laat zich ook zelden zien.

Binnen de muren van de kostschool hangt een doodse sfeer. Niet alleen de dingen, ook de meisjes zelf hebben een ‘zweem van mortuarium’, met hun eeuwige, gehoorzame glimlach. Met geen van hen heeft de ik-figuur echt contact. Haar Duitse kamergenote, een ijdeltuit met wipneus en een vroegrijp lichaam, roept bij haar vooral moordneigingen op.

In deze microkosmos lijkt de tijd gestold. De eigenzinnige vorm versterkt die indruk. In haar nerveuzige zinnetjes springt Jaeggy van kenschets naar kenschets, van voorval naar voorval. Dialogen zijn er nauwelijks. Werkwoordstijden lopen door elkaar: ‘Ik voelde dat ze me nooit zou schrijven. Dat was niets voor haar. Ze verdwijnt.’

‘Amitié amoureuse’

De komst van ‘een nieuwe’ doorbreekt de sleur; de enige echte plotlijn. De bankiersdochter Frédérique is beeldschoon en onaantastbaar. ‘Ze had niets menselijks. Ze leek ook afkerig van alles. Het eerste wat ik dacht: die is daar verder in gegaan dan ik.’ De verteller besluit dat ze haar móét veroveren – meermaals en nadrukkelijk gebruikt ze dat woord.

Tot haar vreugde ontstaat er een amitié amoureuse, zoals de ik-figuur het noemt, maar die warme woorden lijken bijna misplaatst: de verhouding blijft kil en afstandelijk. De meisjes raken elkaar nooit aan, leggen hooguit een hand op een schouder. Ze praten over kunst en literatuur, meer niet. Frédérique noemt de ik-figuur een esthete, andersom vindt zij haar een nihilist. ‘Daardoor raakte ik nog meer in haar ban. Een nihiliste zonder passie, met haar nietszeggende glimlach, als aan de voet van de galg.’

IJskoud proza is het, maar vol van spanning en suggestie. Als een tragisch voorval de meisjes uit elkaar drijft, wordt pas echt duidelijk wat er zo gelukzalig is aan die jaren van tucht. Bij de aankondiging van vertrek, het vooruitzicht verlaten te worden, voelt de ik-persoon een hevige blijdschap – het ‘genot van de teleurstelling’, haar als kostschoolmeisje zo bekend. Ze beschrijft het als een lichte, aangename roes, die ze nadien niet meer heeft ervaren. En Jaeggy laat zien: als je zo hebt geleerd om lief te hebben, kan het nog knap lastig worden in het leven.

Fleur Jaeggy: De gelukzalige jaren van tucht. Uit het Italiaans vertaald door Annegret Böttner en Leontine Bijman. Koppernik; 104 pagina’s; € 18,50.

null Beeld Koppernik
Beeld Koppernik
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden