Flaneur in achterkamers

Honderd jaar geleden stierf Félicien Rops, in de armen van zijn geliefde vriendinnen. De atletisch gebouwde dandy van weleer, 'verheven als de piramide van Cheops', was moe en uitgeblust....

DE DUITSE keizer Wilhelm II hield van 'de vrouwtjes', in het bijzonder van La Lowe, een aantrekkelijke Parijse cocotte die hij vroeger als prins in Straatsburg had gekend. 'Op gezette tijden', vertelt Edmond de Goncourt in het beroemde Journal, moest La Lowe hem opwachten, 'geheel naakt, op een paar lange, zwarte tot over de ellebogen reikende handschoenen na'. De keizer keek haar dan een ogenblik aan en stortte zich vervolgens op haar, 'waarbij hij een dierlijke razernij ten toon spreidde'.

De Goncourt verwijst in zijn pikante verhaal naar de etsen van de toen in Parijs zeer gevierde Belgische maître Félicien Rops. 'De zwarte handschoenen, weet u wel', schrijft hij, 'dat is sadistisch. En ze doen denken aan de zwarte kousen van Rops in zijn obscene etsen.' In het werk van Rops wemelt het van vrouwelijke skeletten, geile priapen, deernen, gevallen engelen en in de bekoring van het vlees versukkelde geesten. Rops neemt met Gustave Moreau een vooraanstaande positie in onder de decadenten. Hij was een kokette voyeur, de rapporteur van de wellustige avonturen van de geest, een flaneur in achterkamers en gesloten huizen.

Rops is honderd jaar geleden gestorven, in de armen van zijn geliefde vriendinnen Léontine en Aurélie, in hun nabij Parijs gelegen buitenhuis La Demi-Lune, 'De Halve Maan'. Sinds tien jaar vond hij er troost in het tuinieren. Hij kweekte Canadese rozen. Het huis in Essonnes, met een fraai uitzicht op de Seine, op dertig kilometer van Parijs, was de geliefkoosde schuilplaats voor de ménage à trois, Félicien en de gezusters Duluc. De Baudelairiaanse en flamboyante dandy was moe en uitgeblust. 'Ik zal nog eindigen als tuinman', schreef hij in een brief aan zijn grote vriend Armand Rassenfosse. 'Als ik oud zal zijn, dan zie ik dat wel in de ogen van de jonge vrouwen, en noem me dan maar meester, om me te troosten.'

Le Monsieur en habit noir, 'de Mijnheer in het zwart', zoals Rops zich ooit eens heeft genoemd, was prachtig en atletisch gebouwd, opzienbarend zelfs, en hij was ijzersterk gespierd. 'De zeer eigenaardige heer Rops', zei zijn veel oudere vriend Charles Baudelaire, 'is verheven als de piramide van Cheops.'

Op 7 juli 1833 is hij in het Belgische Namen geboren als zoon van een welgestelde handelaar in bedrukte katoenen stoffen. Hij erfde het geld van zijn vroeg gestorven vader en na een onstuimig studentenleven in Brussel werd Rops een gedreven etser, tekenaar en schilder. Hij zocht zijn geluk en succes in het Parijse kunstenaarsleven en werd de gefêteerde 'metgezel van de duivel', zoals hij meermalen in gezwollen bewoordingen verkondigde.

Op vele van zijn prenten verschijnen duivels, wormstekige monsters met harige satansklauwen, steeds in het gezelschap van skeletachtige of schaars geklede mondaine vrouwen. Hij tekende de knagende verzoekingen waaraan ook schrandere en devote geesten bezweken. De duivels komen op zijn taferelen tevoorschijn uit een omgevallen fles etszuur, uit een theepot of een rumfles, zelfs uit brandende boeken of uit een op het vuur pruttelend brouwsel. Hij bracht in zijn satanische grafiek het demonische in kaart.

Het is bij hem allemaal 'kunst, melancholie en perversiteit', betoogt Leo van Maris in zijn essays over de kunst van Félicien Rops. In zijn boek over 'de handelsreiziger van de firma Satan en Co' beschrijft Van Maris die huiveringwekkende ervaring van zijn ontmoetingen met de duivel, die esprit satanique die toen in vele Parijse salons en schrijverskringen werd gecultiveerd. De duivel zou zich ooit met God verzoenen. 'De gevallen engel zal dus terugkeren naar zijn vroeger glorie.' Die duivelse duizelingen waren decor, de uitgebeelde verzoekingen waren de coulissen waaruit de duivel, als een triomfator uit de verzonken wereld van de hel, in een hypocriete wereld van burgerlijke etiquette en moraal ten tonele verscheen.

'Hoe vindt u uw sorbet?', begint een bekende salondialoog. 'Lekker. Maar 't zou lekkerder zijn geweest als het een zonde was.' 'Een van de aantrekkelijkheden van wetsovertreders', zegt Van Maris, is 'dat zij de wet overtreden'. Het is Rops' drijfveer.

Als student maakte hij deel uit van 'het genootschap van de krokodillen'. Hij was de huistekenaar van de club. Met het van zijn vader geërfde geld stichtte hij het venijnige blad Uylenspiegel, tijdschrift voor artistieke en literaire buitelingen. Rops huwde met Charlotte Polet de Fauveaux, dochter van een Naams jurist, en verdeelde zijn tijd tussen hun huis op nummer 13 van de Rue Neuve in Namen en het slot van Thozée in Mettet. Maar Parijs lonkte en in 1874 vestigde hij er zich voorgoed. Hij ging er samenwonen met de gezusters Léontine en Aurélie Duluc, die elk een kind van hem baarden. Rops had succes. En zijn prenten verwekten schandaal.

In Namen hangen in het Musée Félicien Rops enkele tientallen tekeningen en etsen, légers croquis sans prétention pour réjouir les honnêtes gens, 'lichtzinnige schetsen zonder pretenties om de fatsoenlijke burger te verblijden'. Op La dame au pantin, de marionettenvrouw, tilt een charmante dame een pierrot op, een bespottelijk en hulpeloos mannetje dat is verstoken van een eigen wil, een speeltje in de handen van de vrouw. Ze werpt hem een vernederende blik toe. Ecce homo, ziehier de mens die aan zijn lusten en aan de helse bekoringen is overgeleverd.

Rops portretteerde de Parisienne, veelal naakt of - zoals de cocotte van keizer Wilhelm - uiterst schaars gekleed, enkel nog met de afdrukken van haar kledingstukken, 'een mooi stuk vrouwelijk naakt'. Het ging hem niet om de schoonheid of de sierlijkheid van hun lichaam maar om het genot en de lust. Dat 'ongelooflijk samenspel van bordpapier, zijde, zenuwen en poudre de riz' bewerkte hij met het scherpe mes van de chirurgijn. Hij sneed in hun buiken en in hun leden, schraapte het vel af tot op hun botten. Op de aquarel Naturalia non sunt turpia onthult een vrouw haar skeletachtig bekken waarin een duivels masker grijnst, 'ad majorem diaboli gloriam' staat er op de prent, 'tot meerdere eer en glorie van de duivel'. De vrouw, in ontvleesde staat, verwekt de duivel.

De etsen en tekeningen van Rops kunnen ons nog steeds ontwrichten en verwarren, ook al zijn we veel gewend, net zoals een cherubijntje of een putto op een schilderij van een oude meester ons nog altijd bekoort. Zijn taferelen zijn niet meer aanstootgevend, althans er wordt zonder gêne naar gekeken, maar ze blijven in hun satanische spiegeling tergend en diabolisch.

Rops had een grote bewondering voor Baudelaire. De dichter van Les fleurs du mal, die hij vele keren heeft ontmoet, ook in Namen, bracht hem op het spoor van de satanische verzoekingen. Baudelaire schetste een wereld van zinnelijkheid, melancholie en spleen, maar ook van ontucht, lafheid en hypocrisie. Hij maakte frontispices en illustraties voor de boeken van Baudelaire en andere beroemde tijdgenoten, decadenten en symbolisten. Geschokte critici noemden hem een huiveringwekkende pornograaf.

'Het ligt voor de hand dat de kunstenaar die met alle geweld vleselijke onderwerpen wil behandelen', zegt de Franse schrijver Joris-Karl Huysmans, 'op een of andere manier een kuis iemand is'. Huysmans omschreef Rops als een primitif à rebours, een 'omgekeerde primitief', een Memling van het ongebreidelde kwaad. Hij verlustigde zich in zijn etsen en prenten weliswaar in het demonische, maar hij was er niet door besmet. Integendeel, soms is hij moralistisch en ongemeen scherp voor zijn tijdgenoten. In zijn bekendste aquarel Pornocratès gaat een geblinddoekte prostituee uit wandelen met haar varken - het Ropsiaanse varken met een vergulde staart, dat met een aanmatigende tred de pas leidt.

De duivelse en doortrapte godin laat de oude liefdes, de kunsten, verweesd achter. Alles draait om het geld en de vlezige lusten.

Voor Rops echter is het genot iets dat het lichaam aanvreet en ondermijnt. Hoe meer het wordt gestreeld, hoe triester het wordt. De meisjes van plezier worden gestraft. De liefde is een ernstige zaak, 'de droefheid is het onontbeerlijke teken van de ware liefde'.

Op zijn prenten en ropsiennes herken je die dubbelzinnigheid: de aantrekkelijke maar tegelijk ook duivelse vrouw die haar pierrot verslindt en de macabere skeletten, aangevreten door het dodelijke gif, de syfilis. Ze verschijnt in het theater van Ce tant folâtre Monsieur Rops, zoals de titel luidt van een film van Thierrry Zéno, als hoer en madonna, als gekruisigde verlosser. Op L'incantation, een naakte vrouw die neerkijkt op een oude alchimist, is ze wulps maar tegelijk zwaarmoedig; op de bekende verzoeking van de heilige Antonius heeft ze op het kruis de plaats van Christus ingenomen, onder het opschrift 'eros'.

Rien a demy!, het devies van het buitenhuis La Demi-Lune, 'geen half werk', is Rops op het lijf geschreven. 'Mijn werk is niet meer dan wat spermatozoïden die langs de dijen van de muze zijn gegleden in een zielige poging om te paren.' Hij is zelden tevreden. 'Ik ben slechts een zoeker en een onrustig mens; en ik verzeker u dat oog in oog met de natuur het penseel, de etsnaald of het potlood nog altijd in mijn handen beven als de eerste dag', schrijft hij in een van zijn vele brieven. De névrosité, het tonicum dat hem tot zijn duivelse en macabere taferelen dreef, maakte hem melancholisch en somber. 'Ik ben niet die vrolijke Frans die jullie kennen. . .mijn ziel zit opgesloten in mijn lichaam.'

Rops was een begenadigd schrijver. In zijn brieven gaf hij uiting aan zijn twijfels, zijn kommer en kwel. Rops suis, aultre ne veulx estre, ik ben Rops, geen zin anders te zijn, is zijn levensmotto. De brieven zijn het memoriaal van zijn kwellingen en zijn verzuchtingen. Hij schaamde zich soms voor zijn zielenroerselen, maar wanneer hij over kunst of over zijn artistieke overtuigingen sprak, 'spring ik op mijn stokpaardje en dat slaat aan het galopperen alsof het zijn haver ruikt'. Misschien schaamde hij zich ook voor zijn werk. In een van de brieven stelde hij voor enkele prenten, niet obsceen, maar wel pittig, 'met een klein, verguld en discreet hangslot te vergrendelen'.

In die prenten dringt de geest van het kwaad door de scheuren in de ziel. Misschien heeft vooral Huysmans het demonische werk van Rops begrepen. Kunstenaars met hun tot het breekpunt gespannen zenuwen - de névrosité van Rops - hebben volgens hem 'of ze nu onkuis zijn of niet, meer dan alle anderen voortdurend de ondraaglijke last van de Wellust moeten verduren'. Naakte lichamen strekken zich uit, zegt Huysmans, maar het gaat niet meer om een natuurlijke daad, die voorspelbaar en banaal is, 'en plotseling steekt een neiging tot tegennatuurlijke smeerlapperij de kop op'. De ziel verlaagt zich, maar wordt tegelijk verfijnd en veredeld. En toch ontkende Rops, alsof hij zijn drijfveer wilde verbergen, die theorieën en bespiegelingen van Huysmans. Hij wilde alleen maar een vrouw tekenen, een tafereel, een decorum.

De biografische expositie Rops suis, aultre ne veulx estre in het Maison de la Culture van de provincie Namen, schetst het leven en het universum van Rops aan de hand van foto's en documenten, reisboekjes, schetsboeken en bieven.

Wie was die man in het zwart? Met wie was hij bevriend? Welke betekenis had zijn werk? Waarom hield hij van parelmoergrijs? Heeft het Ropsenfossevernis iets met hem te maken? Was hij een levensgenieter of eerder een melancholicus? Waar woonde en werkte de 'etser van het koninkrijk van de satan', zoals hij door Edmond de Goncourt is genoemd?

Rops heeft veel gereisd, ook in Amerika. 'Zoals de leeuweriken die, op het moment van de trek, zich tegen de tralies van hun kooi werpen, moet ik weg uit dit verschrikkelijke en al te misbare Parijs.' Na zijn tweede reis naar Noord-Amerika, in het gezelschap van Aurélie en Léontine, trok hij zich terug in het vredige La Demi-Lune. Hij leed aan een oogkwaal, veroorzaakt door zuurspatten bij het etsen. Rops ging tuinieren en creëerde nieuwe variëteiten van rozen.

Op 23 augutus sloot hij voorgoed de ogen, in het gezelschap van AureLéon - zo ondertekenden de gezusters Duluc hun brieven aan Rops - en zijn vriend Rassenfosse. Hij is in België begraven op het kerkhof van Mettet, dicht bij Château de Thozée, het kasteel waar Rops' vrouw is blijven wonen.

'We moeten nu geen buste van de Venus van Milo meer maken', zei Rops, 'maar een buste van Tata, die minder mooi is, maar zij is tenminste de buste van vandaag.' In een van zijn brieven vertelde hij hoe hij ging 'snuffelen in bizarre boudoirs om er de mysterieuze finesses van het Parijse leven en de verrassing van toevallige poses te ontdekken'. Het opgetutte en het opgedirkte van de Parisienne op de prenten van Rops 'spreken ons over het moderne dat hij naar de natuur, volgens het karakter dat hij op zijn weg ontmoet, gestalte wil geven', noteerden de gebroeders Goncourt in hun Journal. Rops tekende het duistere, bijna macabere dat hij, aldus de Goncourts, heeft aangetroffen bij een hoer Clara Blum, 'op een vroege ochtend na een nacht van handtastelijkheid en spel'. Het is Rops' goût du mal, zijn uitgeproken belangstelling voor het kwaad, het bevrijdende kwaad. In die betekenis is hij, tussen enkele andere beroemde tijdgenoten, 'een schilder van het moderne leven'. Men moet vóór alles van zijn tijd zijn, klonk zijn credo, 'op straffe van niet te zijn'.

Rops suis, aultre ne veulx estre. Maison de la Culture de la Pronvince de Namur, Namen. Tot en met 11 oktober.

Cent légers croquis sans prétention. Musée Félicien Rops, Namen. T/m 11 oktober.

Félicien Rops et le livre de la fin de siècle. Maison du Livre, Brussel. T/m 7 oktober.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.