Recensie Muziek

Fischer zet zich af tegen de wereld van de klassieke muziek, maar het resultaat is betrekkelijk braaf (**)

Foto Fischer

CD (klassiek) - HUSH

Krantenlezend Nederland kon de afgelopen maand niet om Nora Fischer (30) heen. Overal werd de mezzosopraan geportretteerd. Meer nog dan om Fischers bijzondere timbre en uitstraling zal dat te maken hebben met haar goede verhaal. Samengevat: Nora, dochter van de beroemde dirigent Iván Fischer, ging voor een klassieke zangopleiding naar het conservatorium, waar ze maar niet werd begrepen. Nu omarmt ze elementen uit de pop (microfoons, zingen met valse lucht) en zet ze zich tegen de klassieke wereld af.

In die wereld, stelde ze vorige week in de Volkskrant, ‘heerst nog dat oude idee van hoge en lage cultuur’ en ‘lijkt het dédain voor popmuziek wel ingebakken’. Is dat zo? Die klassieke podia geven haar toch alle ruimte? En wie schrikt er nog van cross-over, welke muziekliefhebber beperkt zich nog uitsluitend tot klassiek? De klassiekemuziekwereld waar zij tegen fulmineert, is die van de jaren zestig van de vorige eeuw.

Maar dat terzijde.

De aanleiding voor de serie interviews was de presentatie (in poptempel Paradiso) van haar debuutalbum Hush op het statige label Deutsche Grammophon. Dat kon natuurlijk geen ‘gewone’ plaat worden. Fischer zingt aria’s van onder meer Landi, Purcell en Monteverdi, maar dan bewerkt (vaak iets versimpeld en omlaag getransponeerd) en begeleid door de elektrische gitaar (goed idee) van Marnix Dorrestein, die de partijen op gehoor uitzocht.

Zou het een statement zijn dat de opener, Alessandro Scarlatti’s O cessate di piagarmi, eindigt met een fade-out? Dorrestein heeft een dof, wat korrelig geluid; de ruimhartige galm weet de smetjes van zijn getokkel niet te verdoezelen. In ritmisch opzicht zwalkt hij door Purcells Come all ye songsters en Wondrous machine. Hier en daar zingt hij ook wat lijntjes mee. Dat had hij niet hoeven doen.

Maar dat is niet het grootste bezwaar. Wie achteloos luistert, zal nog verbaasd zijn als hij de teksten onder ogen krijgt: blijkt die sexy gezongen openingstrack (tegen de noot aan intoneren, levenslustig vibrato op fluistervolume) ineens een uitgerekte doodswens te zijn (O lasciatemi morir!). Of je nou de esthetiek van de barok of die van de pop op die oude noten projecteert: je mag toch wel enige tekstuitdrukking verwachten.

Als alle twaalf nummers erop zitten, is duidelijk: Fischer heeft een reeks – inderdaad eigen en opvallende – maniertjes die ze op alle aria’s toepast.

Afgezet tegen de branie waarmee het album wordt gepromoot (de stukken worden lekker provocatief liedjes genoemd, al kun je je afvragen of daar nog iemand over valt), is het resultaat bovendien betrekkelijk braaf. Laat de elektrische gitaar de elektrische gitaar zijn en gooi de beuk erin, verzucht je soms. Dat gebeurt pas in het zevende nummer, Can she excuse my wrongs (naar John Dowland), met space-achtige, naar Radiohead neigende modulatie-effecten in het middenstuk.

Ook van Purcells Cold song is echt wat gemaakt. Maar in het daaropvolgende harmonisch zo kruidige Cum dederit uit Vivaldi’s Nisi dominus (RV 608) ebt alle spanning weg, en dat is een prestatie op zich.

HUSH - Deutsche Grammophon

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.