Finse meisjes

Wuck zet in haar meer dan overtuigende debuut vol tragikomische luchtigheid de wereld in een unheimisch licht

Veel zeggen in weinig woorden - de half-Finse dichteres Kira Wuck (1976) blijkt er in haar debuutbundel Finse meisjes zeer bedreven in. 'Woorden zijn spaarzaam als het licht', schrijft ze in een beklemmend gedicht over de lange Finse winters, waarin de duisternis en sneeuw alles en iedereen isoleren en de 'eenzaamheid ruikt naar kalfslever in een ovenschaal'.

Op het eerste gezicht lijken Wucks gedichten luchtige, licht-absurdistische verhaaltjes, vol gaten, intrigerende sprongen en vermakelijke beelden. Maar de luchtigheid is tragikomisch, haar gedichten hebben het grappige en tegelijk hartverscheurende van de 'magere jongens' die ze beschrijft, dansend 'tegenover dikke meisjes' in een treurige plattelandsdisco. Neem deze vier schrijnende regels: 'Mijn moeder is verliefd op mijn logopedist / ze komt het huis niet uit, behalve voor mijn spraaklessen / op mijn verjaardag drinkt ze andere moeders onder tafel / daarna begint haar danssolo, benen hoog in de lucht'. Zelden wordt kinderverdriet en de schaamte van een jeugd zo pijnlijk opgeroepen in zo weinig woorden.

Veel van Kira Wucks gedichten gaan pas na een tijdje werken, doordat simpele regeltjes waar je gemakkelijk overheen leest, vlijmscherp blijken - zeker met enige biografische kennis van de dichteres, die tijdens haar Amsterdamse puberteit zowel haar Finse moeder als haar Indonesische vader verloor. 'Een vrouw met rossig haar / en zwarte rok loopt door het park / zij is mijn moeder niet maar zwaait// soms ging ik naar de stad / misschien liep ze tussen de mensen.'

Een hele afdeling wijdt ze aan haar overleden ouders en aan haar merkwaardige familie, zoals haar Finse grootmoeder die graag bij de maffia had gewild 'want die zorgen tenminste goed voor hun familie'. Maar ook over niet al te florissant verlopende liefdes schrijft ze ('omdat je mij verdragen kunt, mag je naast me komen liggen'), over haar bezoeken aan Finland en over de outcasts en 'overblijvers' die na sluitingstijd nog zo lang mogelijk in het café blijven hangen zoals 'de Roemeen die zijn achtergrond kwijt is' of iemand wiens ziel 'de pureermachine niet overleefd heeft'.

Het is een unheimisch licht waarin Kira Wuck de wereld zet, een wereld van ontheemding, verveling, onuitgesproken verdriet en drankzucht. Verbazend is het dan ook niet dat Wuck een gedicht opdroeg aan de jonge Russische dichter Boris Ryzhy, die in 2001 zelfmoord pleegde en in zijn poëzie over het harde bestaan in de ijzige industriestad Jekaterinburg een vergelijkbare, zij het veel gewelddadiger sfeer oproept.

Finse meisjes is een meer dan overtuigend debuut. Wucks kracht ligt in de scherpte en veelzeggendheid van haar beelden, die zich nooit onmiddellijk prijsgeven, en de manier waarop ze alles achter en onder de woorden laat gebeuren. Daardoor is het des te verrassender dat deze dichteres al geruime tijd succes oogst op de landelijke poëziepodia en in 2012 zelfs Nederlands slamkampioene werd. Kennelijk kan slamdichten ook op fluistersterkte.

Een bundel die net zo weinig met het podium te maken lijkt te hebben, is Hoi feest, de tweede van de slamkampioene van 2009, Ellen Deckwitz (1981) die in 2012 de C. Buddingh'-prijs won met haar debuut De steen vreest mij.

Ging het in haar debuut over familiebanden en het overwinnen van kinderangsten voor dood en verrottenis - in haar tweede bundel, die voor een deel ontstond uit een samenwerking met het Scapino Ballet, schrijft Deckwitz voornamelijk over de bevreemding te bestaan in een levend lichaam. Daarbij onderzoekt ze de bewegingen en de architectuur van het lichaam en probeert ze erin af te dalen ('ik stelde me altijd voor / dat als ik iemand zoende, / ik in hem belandde. Mijn geest / zijn tong als glijbaan gebruikte').

Ook de lichamelijke lust en de seksualiteit komen ruim aan bod, zoals in een reeks over een lesbische puberliefde 'op het christelijk gymnasium'. Daarnaast wordt er nagedacht over God en godsdie

nst. De wereld waarin we leven beschrijft Deckwitz als een saai feest waar je toch heen moet, al was het maar om even 'hoi' te zeggen - een mooi beeld voor hoe ze blijkbaar haar poëzie ziet.

Ruim een jaar geleden verscheen De steen vreest mij, een bundel die terecht veel succes oogstte. Misschien heeft de dichteres daardoor te snel weer willen bundelen, want Hoi feest is onevenwichtiger, de gedichten zijn eenduidiger en minder uitgekristalliseerd, de beelden doen soms bedacht of effectgericht aan. Nadrukkelijke regelafbrekingen zijn een trucje geworden en soms lelijk ('ik zal hem / tegen de muur zetten en kussen / blijken zo te starten'). Dat is allemaal jammer, want uit een aantal sterke regels en gedichten blijkt nog altijd dat Ellen Deckwitz een groot en veelbelovend talent is.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden