Recensie David Papineau

Filosofie en sport gaan prima samen bij David Papineau (drie sterren)

Nadenken over sport is niet populair onder filosofen. Wetenschapsfilosoof en sportliefhebber David Papineau laat zien dat er genoeg te leren valt.

Beeld Typex

Sport en filosofie is een wat ongemakkelijke combinatie: veel filosofen houden niet van sport en vinden het al helemaal niet iets om serieus over na te denken. Sport is immers ‘lage cultuur’ en voor de massa, waar filosofie ‘hoge cultuur’ voor ‘de intellectuele elite’ zou zijn. Maar de popularisering van de filosofie, tegenwoordig bekend als ‘publieksfilosofie’, is met de toenemende macht van de media een feit, en door de Nationale Wetenschapsagenda zelfs een officiële opdracht van burgers aan alle filosofen.

Het voordeel hiervan is dat filosofen die van sport én filosofie houden, zoals ondergetekende, ineens niet langer schizofreen door het leven hoeven te gaan, als twee aparte zielen in één lichaam, maar hun liefdes mogen verenigen. De Engelse wetenschapsfilosoof en sportliefhebber David Papineau heeft dit gedaan met de publicatie van zijn boek Knowing the Score, in het Nederlands vertaald als De regels van het spel. Laat u niet afschrikken door de ultrasaaie titel, de oerlelijke kleur van het omslag (grasgroen is alleen geschikt voor gras) en de obligate tekening daarop (u raadt het al: Socrates en een bal), want het boek is leuk om te lezen: het is goed geschreven en brengt wetenschappelijke kennis soepel samen met voorbeelden uit de sport. De vraag is, wat kan filosofie door dit boek nu leren van sport, en andersom?

Filosofisch nadenken over sport betekent nadenken over vragen als: is het beter voor een sporter om bewust te handelen of te vertrouwen op intuïtie? Hoe kunnen we fair play garanderen, terwijl sport steeds meer over winst en kapitaal gaat? Wat voor rol speelt sport in de vorming van (nationale) identiteit? En: verbindt sport of sluit sport juist mensen uit? Dit nadenken doen filosofen er over het algemeen bij, want sportfilosofie is geen eigen, maar een subdiscipline in de academische filosofie. Papineau kijkt er in dit boek vooral als wetenschaps- en moraalfilosoof naar.

Als wetenschapsfilosoof met een grote interesse in de werking van de menselijke geest nestelt Papineau zich in het eerste deel, ‘Focus’, in het hart van de bekende filosofische strijd tussen fenomenologen en bewustzijnsfilosofen, met zijn bespreking van een kernvraag uit de sportpsychologie: wat is de rol van de geest in sportprestaties? Papineau kiest voor een positie tussen wat hij aanduidt als de ‘Yoga-theorie’ van fenomenologen (Dreyfus) die stellen dat sporters het best presteren als de geest ‘leeg’ is, en bewustzijnsfilosofen (Montero) die stellen dat bekwaam handelen een bekwame, en geen lege geest vereist. De slogan ‘Just do it’ van sportmerk Nike is een mythe, stelt Papineau: ‘Grote sporters zijn niet alleen lichamelijk, maar ook geestelijk bijzonder.’ Maar waar bestaat die bijzondere geest uit?

'Bewuste concentratie'

Behalve dat Papineau fenomenologen over één kam scheert, ligt zijn antwoord nogal voor de hand: een echte topper heeft een ‘bewuste concentratie’. Ze hanteert een bewuste strategie, maar denkt verder niet te veel na, want dat leidt tot ‘choken’ (bezwijken onder de druk) of ‘yips’ (verlamming door overmatig bewustzijn van je technische uitvoering). ‘Je moet niet nadenken over hóé je iets doet, maar het is essentieel om na te denken over wát je aan het doen bent’, aldus Papineau.

Onderbouwing voor deze stelling vindt hij in beroemde voorbeelden als Jana Novotná, die begon te choken toen ze in 1993 op matchpoint stond voor haar eerste Wimbledonwinst en de partij alsnog van Steffi Graf verloor, en Monica Seles, die als 16-jarig wonderkind Graf in de finale van Roland Garros in 1990 wél versloeg met een bewuste strategie, waarin het denken verder was uitgebannen. Zoals Seles na de wedstrijd verklaarde: ‘Vandaag was mijn strategie in de finale gewoon zo goed mogelijk te spelen.’ Dat nemen alle sporters zich voor elke wedstrijd natuurlijk voor, inclusief de amateurs. Maar alleen de echte toppers kunnen het ook, meent Papineau.

David Papineau: De regels van het spel – Wat sport ons kan leren over filosofie (en wat filosofie ons kan leren over sport). 
Uit het Engels vertaald door Wybrand Scheffer. 
Atlas Contact; 320 pagina’s; € 21,99.

3 sterren

Erg zorgvuldig beargumenteert Papineau zijn stellingen niet, en dat wreekt zich meerdere malen. Bijvoorbeeld als hij naar aanleiding van de handsbal van Thierry Henry waardoor Frankrijk in plaats van Ierland zich voor het WK voetbal in 2010 in Zuid-Afrika plaatste, vraagt of je een wedstrijd kunt winnen door vals te spelen.

Regels

Dit is een leuke filosofische kwestie, die begint met de logische redenering: een spel (sport) bestaat niet zonder regels; als je de regels negeert, doe je niet mee aan het spel; je kunt het spel dus niet winnen als je de regels niet volgt. Met andere woorden, bestaat er wel zoiets als ‘vals spel’? Hoeveel regels kunnen worden overtreden, en hoe vaak, voordat we menen dat er geen sprake meer is van een sportwedstrijd? Dat blijkt per sport enorm te verschillen. Tekenend is de uitspraak van een anonieme sporter: ‘Ik val nog liever dood neer dan dat ik valsspeel met golfen. Met cricket speel ik soms wel vals (...). En als ik voetbalde speelde ik voortdurend vals.’

Papineau behandelt de vraag vanuit onze ervaring van ‘morele plicht’, waarbij hij stelt dat als iemand een wet of regel overtreedt, we dat vaak niet fout vinden omdat men zich niet aan de wet houdt, maar omdat het moreel gezien niet deugt. Dit houdt in dat er een universeel moreel besef zou zijn waarmee we als het ware intuïtief overeenstemmen, of we de overtreding in kwestie billijken of niet.

De vraag is waarom dezelfde persoon die plicht sterk voelt bij cricket en nauwelijks bij voetbal. Dit impliceert dat het morele besef toch niet aangeboren en universeel, maar cultureel bepaald is. Door deze kwestie niet te expliciteren, spreekt Papineau zichzelf uiteindelijk tegen. Dat maakt zijn conclusie des te meer gratuit: ‘(...) als mijn gevoel voor fair play me daar de ruimte voor biedt, ben ik niet te beroerd om de regels te overtreden.’

Eigenbelang en willekeur

Hier lijkt van een dynamiek gereguleerd door morele plicht überhaupt geen sprake meer, maar voeren eigenbelang en willekeur de boventoon. Papineaus redeneringen zijn wel vaker particulier van aard (‘ik zie niet in waarom...’). Het filosofische probleem wordt wel uit de doeken gedaan, maar de positie die Papineau inneemt, onderbouwt hij al te vaak met common sense en anekdotiek in plaats van zorgvuldige, kritische filosofische analyse.

Dat neemt niet weg dat het boek deze lezer aan het denken heeft gezet over haar eigen blik op sport en filosofische kwesties, doordat het aansprekende anekdotes uit de sport koppelt aan klassieke morele vragen en dilemma’s. (Als je werkloos bent, en de enige baan die je kunt krijgen is die van slavenhouder, moet je die dan aannemen? Hoeveel verandering kan je sportclub verdragen voordat ze ophoudt die club te zijn? Moet de in België geboren en in Engeland opgegroeide voetballer Januzaj, wiens ouders uit Kosovo gevluchte etnische Albanezen zijn, kiezen voor het nationale team van Albanië, België of Engeland?) Zo betoogt Papineau dat supporters hun verlangens beter kunnen richten op iets waardevols, in plaats van het verlangen naar een overwinning van hun club op zichzelf als waardevol te beschouwen. Het mag niet overtuigen, maar het toont je eigen supporterschap wel in een verfrissend, ander perspectief.

Een fundamenteel boek over sportfilosofie schrijven én in de smaak willen vallen bij het bredere publiek is een haast onmogelijke opgave. In zijn inleiding stelt Papineau dat de academische sportfilosofie hem te serieus en te gewichtig is. Met dit boek is de sportfilosofie niet onmiddellijk beter geworden. Maar Papineau heeft de sportfilosofie wél leuker en toegankelijker gemaakt. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.