Recensie Boeken

Fietsfanaat Daniëls neemt de historie van de fiets onder de loep (drie sterren)

Veel mooie anekdotes heeft de auteur verzameld, maar de 'taal van de fiets' blijkt bijzaak.

Wim Daniëls Foto HH

De taal van de fiets

Wim Daniëls; Brooklyn; 182 pagina’s; € 14,99.

Zeker negentig typen fiets noteert woordenboek Van Dale, waaronder een flink aantal schimmige. Wat is bijvoorbeeld een beddenfiets, een wobbelfiets, of een zoemfiets? Wim Daniëls neemt Van Dales fietsenlijst over in een boek dat – in tegenstelling tot wat de titel suggereert – eerder een aaneenschakeling is van anekdotes en weetjes over fietsen dan dat het zich louter concentreert op het taalgebruik rond het rijwiel.

Fietsfanaat Daniëls neemt de historie van de fiets onder de loep vanaf de Franse uitvinding van loopfietsen zoals de draisine (1817) en de vélocipède (ongeveer 1861). De Nederlanders keken om te beginnen de kunst af van de Fransen en bouwden geïmporteerde fietsen na. De Eerste Nederlandsche Fabriek van Vélocipèden opende in 1869 haar deuren in Deventer. Zij bouwde aanvankelijk houten fietsen. Daarna was er geen houden meer aan: Fongers begon in 1884 in Groningen, Simplex in 1892 in Utrecht, Gazelle in 1892 in Dieren, Gaastra in 1906 in Heerenveen. Gaastra zette het merk Batavus in de markt.

Dat de fiets uiteindelijk breed aftrek vond, was te danken aan de uitvinding van de fietsketting in 1885, in combinatie met twee wielen die even groot waren. Het comfort werd vervolgens verhoogd door de introductie van de luchtband door Dunlop in 1888.

Bij zijn serieuze intrede in het verkeer zorgde de fiets voor ongewenste commotie. Paarden die wagens voorttrokken schrokken van de snelheid waarmee ze door het stalen ros werden ingehaald. De dieren waren geneigd om te draaien, met alle ongelukken van dien. In het Gelderse Oldebroek werd daarom in 1885 de fiets zelfs verboden binnen de bebouwde kom.

Daniëls noteert veel fijne weetjes over het gebruik van fietsen. Zo oogstte de combinatie vrouw & fiets aanvankelijk veel kritiek. De vrijheid die fietsen bood, was natuurlijk niet bedoeld voor vrouwen. Verder zou fietsen ongezond zijn voor de menstruerende vrouw en de vrouw die borstvoeding geeft. En ten slotte zag het er volgens de heersende mannenmoraal gewoon niet uit: een vrouw op een fiets.

Een mooi weetje is ook dat op wielerparcoursen de bochten altijd linksom gaan. Zulks om te voorkomen dat ketting en derailleur de grond kunnen raken wanneer de renner heel plat door de bocht gaat, want die onderdelen zitten aan de rechterkant van de fiets. Bovendien vinden rechtshandige wielrenners het een evenwichtiger gevoel om in de bocht hun rechterarm ongeveer te kunnen strekken op het stuur. En rechtshandigen zijn nu eenmaal in de meerderheid.

Jammer genoeg wekt het laatste kwart van het boek de indruk dat Daniëls meer pagina’s toebedeeld kreeg dan hij kon vullen. Zo verliest hij zich in het opsommen van de namen van wielerclubs, wielertijdschriften, wielermusea en liedjes waarin fietsen een rol speelt, dan wel waarin het woord ‘fiets’ voorkomt.

De charme van zijn fietsboek zit hem in Daniëls’ persoonlijke geestdrift voor het rijwiel. Die liefde is ontstaan doordat de fiets ‘bij ons thuis’ het enige behoorlijke vervoermiddel was: het Brabantse gezin Daniëls was in Wims jeugd ongemotoriseerd. Fietsen werd en wordt door hem geassocieerd met vrijheid, met de mogelijkheid de wijde wereld in te trekken. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.