Review

Fascinerende Dada-studie verheldert en ontrafelt

Eerherstel voor de baldadige nihilisten door Hubert van den Berg

Twee hardnekkige misverstanden over het dadaïsme helpt Hubert van den Berg, hoogleraar literatuurwetenschap, op overtuigende wijze uit de wereld in een fascinerende studie naar de baldadige kunstbeweging.

Dada, dat was lachen geblazen. Rare acts, bizarre collages, gekke klankgedichten ('jolifanto bambla ô falli bambla'): avant-garde waar je onbezwaard om kon ginnegappen. Maar intussen zijn we wel zo'n beetje uitgelachen om de dadaïsten en om de erfgenamen die zich steeds zijn blijven aandienen.

Hubert van den Berg, Dada - Een geschiedenis (****), (non-fictie).
Vantilt; 352 pagina's; € 29,95.

Benauwenis

'Schon dada gewesen', zoals de Nederlandse criticus J.M. Prange al in 1948 niet ongeestig schreef, toen hij de nieuwlichters van de naoorlogse kunst de maat nam. Cobra en de Vijftigers heeft Prange er niet mee onder gekregen, maar zijn bon mot wordt nog steeds aangehaald, nu ter relativering van dada zelf: dat weten we intussen wel, toch? Nou nee. Niet voor niets maakt het aanstaande Holland Festival ruim baan voor de internationaal geprezen voorstelling Manifesto, waarin actrice Cate Blanchett een collage brengt van opruiende manifesten van dadaïsten en geestverwanten poëtische en visionaire teksten waarin grenzen worden genegeerd en nieuwe ideeën beproefd. Onverminderd relevant, vindt het festival, vooral in deze tijden van politieke en existentiële benauwenis.

En niet voor niets schreef Hubert van den Berg Dada - Een geschiedenis, een fascinerende studie over de baldadige kunstbeweging die in 1916 met een knal in Zürich werd geboren. Van den Berg, hoogleraar literatuurwetenschap aan de Palacký-universiteit in Olomouc, Tsjechië toont overtuigend aan dat we dada eigenlijk helemaal niet zo goed kennen, omdat ons begrip van dada is gebouwd op misverstanden.

Woeste teksten uit 1920 en '21 van een Franstalige, vroeg overleden Vlaming wiens 'bliksem oeuvre' vindingrijk werd vertaald door Rokus Hofstede. Hoe Leuterlul en Poepescheet zich bezatten om nuchter te worden.

Twee misverstanden

Eerste misverstand: dada was een hogere vorm van onzin, een provocatie die elke academische definitie tart.

Tweede misverstand: dada was anti-artistiek, nihilistisch, 'tegen alles'.

Die misverstanden danken we aan vooraanstaande dadahistorici, die ze als zekerheden hebben verwoord. 'De analyse van dada behoeft een metataal, die alleen dada kan begrijpen', meende bijvoorbeeld dadaprof Michel Sanouillet in de jaren zestig. Nog in 1994 sloot collega Hermann Korte zich daarbij aan: dada zou zich onttrekken aan elk 'plausibel verklaringsmodel'. Het zijn teksten die niet veel verschillen van 'Wat dada is, weten zelfs de dadaïsten niet (alleen de Oberdada en die vertelt het niet)' en 'Dada valt niet te begrijpen, dada dient men te beleven' moedwillig mystificerende stellingen van de Berlijnse dadaïsten Johannes Baader en Richard Huelsenbeck uit de jaren '20.

Dagboek van de dadavoorman die al in 1920 afscheid nam van de beweging, gepubliceerd in 1927, het jaar van zijn vroege dood. De vertaling is van Hans Driessen.

Ietwat pesterig concludeert Hubert van den Berg 'dat menig dadahistoricus klaarblijkelijk niet voor schools en ondadaïstisch wil doorgaan' en hij belooft aan te tonen dat het helemaal niet zo ingewikkeld is om iets steekhoudends over dada te beweren. Ofschoon de auteur daarbij de gepaste academische afstand tot zijn onderwerp bewaart ('Is het niet het lot van de geschiedschrijver om juist schools en ambachtelijk te zijn?'), neemt hij geen neutraal standpunt in. Hij is ervan overtuigd dat dada misschien wel een destructieve kant had, maar zeker niet anti-artistiek of anti-establishment was. Niet voor niets werden de grote dada-avonden gehouden in culturele toplocaties zoals het Grand Palais in Parijs en de Meistersaal in Berlijn (en nota bene het Binnenhof in 's-Gravenhage), met overeenkomstig publiek en overeenkomstige toegangsprijzen.

Twee manifesten ('Eerste dadalezing in Duitsland', 'En Avant Dada') in één band, plus de trialoog 'Door Dada uitgeschakeld'. De oprichter van Club Dada in Berlijn werkte na 1936 succesvol als psychiater in de VS.

Nieuwe, ontsmette kunst

Kunstenaars als Hugo Ball, Raoul Hausmann, Tristan Tzara of Max Ernst waren er dan ook niet op uit de kunst af te schaffen, zoals critici als Prange veronderstelden, ze wilden af van de ideologieën die tot de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog hadden geleid. De alternatieven zochten ze in een nieuwe, onbesmette kunst, los van de rationaliteit en retoriek die uitmondden in de 'slachtfeesten van Verdun'. Achter de ogenschijnlijke provocaties en kolder (Hugo Balls 'jolifanto bambla ô falli bambla') ging een utopisch idealisme schuil, hetzelfde artistiek-filosofische idealisme dat te vinden was bij Piet Mondriaan en verwante stromingen als De Stijl en het constructivisme. Ofschoon Van den Berg zijn voorgangers niet spaart (de argumentatie van Sanouillet en Korte noemt hij 'een zelf uitgeschreven brevet van onvermogen') is hij zo fair te benadrukken dat hij het een stuk makkelijker heeft. Dankzij de digitalisering van archieven is er veel meer bronnenmateriaal voorhanden dan enkele decennia geleden, 'toen gegevens over dada vaak van horen zeggen en veelal uit herinneringen van voormalige dadaïsten en andere ooggetuigen moesten worden geput'.

Zeven manifesten uit 1918-1922 van de Berlijnse dichter die zichzelf voorstelde als 'Präsident der Sonne'.

Etymologie

Het maakt een preciezer en genuanceerder beeld mogelijk van de talrijke ongelijksoortige maar verwante initiatieven die vanaf 1916 in heel Europa en daarbuiten naam maakten als dada. Dat begint al met die curieuze naam, waarover sinds het prille begin in Cabaret Voltaire in Zürich elkaar tegensprekende theorieën de ronde doen. In het hoofdstuk 'In den beginne was het woord, en het woord was in Zürich' worden ze stuk voor stuk op hun aannemelijkheid onderzocht. De gangbare (de dichters Ball en Huelsenbeck zouden het woord samen in een woordenboek hebben gevonden: dada, een Frans kleuterwoord voor hobbel- of stokpaard), en de meer obscure: zo blijkt dada zowel de naam van een makke struisvogel in Jules Vernes L'Étoile du sud (1884) als van een gymnastisch standje à dada in de pornoroman Les paradis charnels (1903).

Geen dadaïst naar de letter, wel naar de geest: monument voor Antwerpen in oorlogstijd, geschreven in 1920 in Berlijn, met flarden van liedjes, reclames, krantenberichten en kreten in 'ritmiese typografie'.

Eén alternatieve theorie pluist Van den Berg verder uit: de naam zou ontleend zijn aan een product van de Duitse zeep- en parfumfabriek Bergmann & Co, die begin 20ste eeuw onder de merknaam Steckenpferd (logo: twee stokpaardjes) haarwater en geurzeep op de markt bracht en in 1906 het merk Dada introduceerde, 'waarin de eigenschappen van leliemelk volledig tot hun recht komen'. De frequente Steckenpferd- en Dada-advertenties uit die tijd, vaak compleet met het typografische wijzende handje dat in veel dadadrukwerk is terug te vinden, maken aannemelijk dat dit de ware bron is. Net als het zeepmerk immers wilde dada 'oude lelijkheid transformeren in nieuwe schoonheid'. Dada identificeerde zich ook graag met de taal van handel en reclame, ter opfrissing van het krachteloos geworden artistieke jargon. Het zal geen toeval zijn dat Ball in Das erste dadaïstische Manifest uit 1916 de term 'de beste leliemelk' gebruikte.

Rijke bloemlezing van met dada geassocieerde Vlaamse en Nederlandse poëzie uit de vroege twintigste eeuw.

Om het af te maken toont Van den Berg nog een advertentie uit Het Nieuws van den Dag voor Nederlandsch Indië uit 1913 ('Dada versterkt het hoofdhaar en werkt verfrisschend'), legt hij uit dat voerlui hun trekpaard met een herhaald 'da!' naar links stuurden (want áls dadaïsten politiek geëngageerd waren, dan links), dat 'dada' in het Duits 'm'n rug op' betekent en in het Roemeens 'ja zeker, nou en of' wat het woord een internationale meerduidigheid verleende die anti-nationalisten als de Duitser Ball en de Roemeen Tzara goed uitkwam. Zo zit Dada een geschiedenis vol intrigerende ontdekkingen en ontdekkinkjes, wat Van den Bergs claim dat hij het eerste complete, Nederlandstalige overzicht van de avant-gardebeweging schreef (afgezien van deelstudies als K. Schippers' Holland Dada) wel zo aannemelijk maakt.

Grunberg en Dada

Op 19 mei verschijnt een special van Das Magazin, gewijd aan dadaïsme nu en Arnon Grunberg.

Positief nihilisme

Even gedetailleerd onderbouwt hij zijn centrale stelling dat het populaire beeld van dada als nihilistische beweging toe is aan correctie. Hij laat zien dat het in veel manifesten bezongen niets ('Dada bedeutet Nichts') een positief geladen begrip was, verwant aan het alle tegenstellingen opheffende tao dat Tzara c.s. kenden uit de eeuwenoude geschriften van de Chinese taoïstische filosoof Zhuang Zi. Vervang 'tao' in diens teksten door 'dada' en er verandert niets, schrijft Van den Berg. Het louter negatieve beeld van dada ontstond pas na 1945, toen de beweging werd herontdekt. Dada was begin jaren dertig entartet verklaard en weggedrukt door de 'gezonde' kunstideologieën van nazisme, fascisme en communisme. Na 1945 kwamen nieuwe avant-gardistische stromingen op, die in zichzelf een voortzetting zagen van de zuivere avant-garde van dada.

Dada in het Holland Festival

Het Holland Festival 2017 onderstreept de actualiteit van dada in de voorstelling Manifesto van Julian Rosefeldt; een collage van films waarin Cate Blanchet teksten vertolkt uit manifesten van de dadaïsten en aanverwanten.

Van 5 t/m 25 juni in Casco, Amsterdam.

Nog levende dadaïsten schrokken toen wakker en kwamen, mede gedreven door concurrentiemotieven, met een herdefinitie van hun nalatenschap. Dada was uniek en ongrijpbaar geweest en viel door niemand na te volgen, betoogden zij. Het verst daarin ging Huelsenbeck, die in zijn Dada eine literarische Dokumentation (1964) een zogenaamd historisch manifest uit 1918 opnam, dat benadrukte dat dada louter destructief en daarmee per definitie onherhaalbaar was. Dat vervalste document uit 1964 is daarna nog vaak in studies en bloemlezingen aangehaald als een authentieke bron uit de beginjaren. Het maakt de zelfbenoemde Meister-Dada van 1920 een hoofdschuldige in het vervormen en verdraaien van de betekenis van dada. Zo bezien belicht Dada Een geschiedenis een tweekoppig fenomeen: het is een kroniek van de drang mythes te scheppen én van de noodzaak die mythes te ontkrachten en de geschiedenis opnieuw te schrijven.

Woeste teksten uit 1920 en '21 van een Franstalige, vroeg overleden Vlaming wiens 'bliksem oeuvre' vindingrijk werd vertaald door Rokus Hofstede. Hoe Leuterlul en Poepescheet zich bezatten om nuchter te worden.

De collectie-Vantilt zit vol Dadaïstische curiosa

De 'wonderbaarlijke Hubert van den Berg' noemt uitgever Marc Beerens van Vantilt hem, en ''s werelds grootste dadakenner'. Van den Bergs Dada Een geschiedenis is het voorlopige hoogtepunt in de omvangrijke hoeveelheid dada-literatuur die Vantilt sinds het eind van de jaren negentig heeft uitgebracht. Het is 'de energieke tegendraadsheid' van dada die Beerens blijft inspireren. 'Ik hoop die zelf te praktiseren in het Vantilt-fonds.' Op dit moment zijn onderstaande titels bij Vantilt leverbaar:

Hubert van den Berg & Geert Buelens - Dan dada doe uw werk!
(248 pagina's; euro 19,95)

Rijke bloemlezing van met dada geassocieerde Vlaamse en Nederlandse poëzie uit de vroege twintigste eeuw, inclusief verrassingen (Agnita Feis, Jacques Krul, Johan Vendel). De titel is ontleend aan een bede van I.K. Bonset alias Theo van Doesburg in het tijdschrift De Stijl, 1921.

Paul van Ostaijen - Bezette stad
(156 pagina's; euro 15,-)

Geen dadaïst naar de letter, wel naar de geest: monument voor Antwerpen in oorlogstijd, geschreven in 1920 in Berlijn, met flarden van liedjes, reclames, krantenberichten en kreten in 'ritmiese typografie'.

Clément Pansaers - Pan Pan voor de Poeper van de Neger Naakt & Bar Nicanor
(92 pagina's; euro 9,99)
Apologie van de luiheid
(64 pagina's; euro 9,99).

Woeste teksten uit 1920 en '21 van een Franstalige, vroeg overleden Vlaming wiens 'bliksem oeuvre' vindingrijk werd vertaald door Rokus Hofstede. Hoe Leuterlul en Poepescheet zich bezatten om nuchter te worden.

Raoul Hausmann - In den beginne was Dada
(94 pagina's; euro 9,99)

Zeven manifesten uit 1918-1922 van de Berlijnse dichter die zichzelf voorstelde als 'Präsident der Sonne' en drager van de 'dadaïstischen Tapferkeitsmedaille'. De vertaling is van Jan H. Mysjkin, die ook de volgende titels voor zijn rekening nam.

Richard Huelsenbeck - En Avant Dada
(78 pagina's; euro 9,99)

Twee manifesten ('Eerste dadalezing in Duitsland', 'En Avant Dada') in één band, plus de trialoog 'Door Dada uitgeschakeld'. De oprichter van Club Dada in Berlijn werkte na 1936 succesvol als psychiater in de VS.

Hugo Ball - Tenderenda de Fantast
(94 pagina's; euro 9,99)

'Ze hadden ook de wasmachine van de banaliteit bij zich. De werkelijkheid werd er van bovenaf ingestopt en vervolgens via tand raderen van haar waarde ontdaan.' Fantastisch proza van de mysticus onder de dadaïsten; pas in 1967, veertig jaar na zijn dood, ontdekt en uitgegeven.

Een avond in Cabaret Voltaire
(94 pagina's; euro 9,99)

Geïllustreerde bloemlezing van teksten van Tristan Tzara, Hans Arp, Emmy Hennings, Hugo Ball en Richard Huelsenbeck. De uitgever: 'Alle materiaal om de beruchte dada-avonden opnieuw op de planken te brengen.'

Hugo Ball - De vlucht uit de tijd
(352 pagina's; euro 22,50)

Dagboek van de dadavoorman die al in 1920 afscheid nam van de beweging, gepubliceerd in 1927, het jaar van zijn vroege dood. De vertaling is van Hans Driessen.

Meer over