Fascinerend portret van een hardhoofdig genie

Het slot van de biografie van dirigent Willem Mengelberg verrast door onthullingen over zijn glorieuze jaren, zijn ondergang en zijn seksleven.

null Beeld Getty
Beeld Getty

Haast twee decennia liggen er tussen de geboorte van het eerste deel van de biografie van Willem Mengelberg (1871-1951), de dirigent die het Concertgebouworkest naar het niveau tilde waar het nog altijd op voortbouwt, en de verschijning van het completerende deel twee. Een ongelukkig hiaat, dat Mengelbergadepten stijgend ongeduld en auteur Frits Zwart een scala aan hoofdbrekens moet hebben bezorgd.

Verklaarbaar is die lange cesuur wel. In 2000, een jaar na de publicatie van Willem Mengelberg - Een biografie 1871-1920, werd de auteur belast met de leiding van het Nederlands Muziek Instituut, het nieuwe nationale muziekarchief. De opbouw van het NMI liet Zwart weinig tijd voor andere zaken, wat niet wil zeggen dat hij zijn onderwerp in de tussentijd heeft veronachtzaamd. Integendeel, zoals de grote hoeveelheid nieuwe, soms opzienbarende details in Een biografie 1920-1951 bewijst.

Non-fictie

Frits Zwart

Willem Mengelberg - Een biografie 1920-1951

Prometheus; 688 pagina's; €39,95.

Die nieuwe feiten betreffen Willem Mengelbergs meest glorieuze jaren - die van zijn triomfen als Mahler-exegeet en muzikaal bouwmeester op twee continenten, bij het Amsterdamse Concertgebouworkest en de New York Philharmonic. Het zijn de jaren waarin Mengelberg als 'de Baas' respectievelijk 'Boss' wordt vereerd en hij zichzelf, half in ernst, tot 'Willem Imperator Rex' kroont.

Maar ook die van zijn ondergang: in de Tweede Wereldoorlog werkte de Musikdirektor te enthousiast samen met de bezetter. Hij trad op voor hooggeplaatste nazi's, liet zich fotograferen met rijkscommissaris Seyss-Inquart en pareerde kritiek met de stelling dat muziek nu eenmaal de politiek te boven gaat. In de publieke opinie was de nationale halfgod in een collaborateur en landverrader veranderd. Een alternatief, maar nauwelijks milder oordeel schilderde hem af als een 'naïef kind' dat geen benul had waar de nazi's voor stonden. Mengelberg kreeg in 1945 een dirigeerverbod en zou tot zijn dood geen concertzaal meer betreden.

null Beeld Getty
Beeld Getty

Vertaling

Ook in de Verenigde Staten is de naam Willem Mengelberg een begrip. Mede om die reden waagt Amsterdam University Press zich aan een Engelstalige editie van Frits Zwarts biografie. De vertaling van de beide delen door Cynthia Wilson moet in 2018 verschijnen.

Er is al veel over Mengelbergs val geschreven, onder andere door Pauline Micheels in Muziek in de schaduw van het Derde Rijk (1993) en Frederik Heemskerk in Dossier Willem Mengelberg (2015). Aan hun spitwerk voegt Zwart nieuwe inzichten toe, met dank aan vondsten in tot dusver onbekende bronnen, waaronder documenten uit de verloren gewaande nalatenschap van Mengelbergs vertrouwelinge Ellie Bijsterus Heemskerk, volgens de eigenaardige formulering in Zwarts inleiding 'langs de weg gevonden' en in 2005 via een tussenpersoon 'verworven'.

Een belangrijke vondst komt op rekening van Zwart zelf: in Chasa Mengelberg, het chalet in de Zwitserse Alpen dat diende als Mengelbergs toevluchtsoord en waar hij in 1951 als banneling stierf, vond Zwart stapels oude kranten. Daartussen exemplaren van de Völkische Beobachter, de nazi-partijkrant. De dirigent las ze aandachtig, getuige de commentaren die Zwart erin aantrof - in rood en blauw potlood, precies zoals in zijn partituren.

null Beeld .
Beeld .

Antisemitisme

Op 26 februari 1934 opent het nazi-dagblad met een juichend verslag van Adolf Hitlers triomf 'bei seiner alten Garde' in München. Naast driedubbele uitroeptekens krabbelt Mengelberg 'Bravo', 'Alle lesen, prachtvol, herrlich!'. Zo gaat het krant na krant door ('ganz richtig!, sehr gut!'), en na de opmerking dat Mengelbergs echtgenote Tilly hem het beruchte Der Mythus des 20. Jahrhunderts van nazi-ideoloog Alfred Rosenberg als kerstcadeau gaf, concludeert Zwart: 'De aantekeningen [...] rekenen genadeloos af met het idee dat hij apolitiek was, niet op de hoogte van het wereldnieuws, of het gedachtegoed van de nazi's niet kende.'

Toch weet Zwart ook aannemelijk te maken dat Mengelberg niets ophad met het antisemitisme. Tijdens de bezetting stak hij zijn nek uit om joodse orkestleden voor deportatie te behoeden. Zwart houdt het erop dat hij de jodenvervolging opvatte als een akelig bijverschijnsel van een verder toe te juichen ontwikkeling: het verarmde en vernederde land van Bach, Beethoven en Brahms kon dankzij zijn Führer weer de rol spelen die het toekwam in Europa.

Naïeve, kinderlijke trekken had Mengelberg genoeg. De maestro tekende snorren op fotoportretten en voorzag krantennieuws van 'onnozel' commentaar. Dodelijk zinnetje van de biograaf: 'Of hij altijd ook werkelijk begreep waarover hij enthousiast was, is de vraag.'

Zo pendelt Zwart van nuance naar nuance, terwijl de feiten voor zich blijven spreken. Met dezelfde prudentie wordt scherpgesteld op andere gevoeligheden in Mengelbergs biografie. Zijn afmattende conflicten met de fiscus, het financiële gesjoemel van secretaris Sam Bottenheim (die uiteindelijk in de gevangenis belandt), de voortdurend opspelende karbonkels, netelroos en andere kwalen ('Herz u. Magen kaputt'), en het gesteggel met het bestuur van het Concertgebouworkest en zijn artistiek leider, de geplaagde achterneef Rudolf Mengelberg.

Wie minder in de mens dan in de kunstenaar Mengelberg is geïnteresseerd, zal zich overigens niet bekocht voelen. Zwart citeert orkestleden, analyseert zijn dirigeertechniek ('een zeer heldere, flexibele slag, met een duidelijk ritmisch centrum'), preciseert de verschillen met zijn tegenstrever Arturo Toscanini, en maakt duidelijk waarom Mengelbergs afmattende, met monologen doorspekte repetities het fundament van zijn artistieke successen vormden.

Tussen alle kleinere en grotere onthullingen heeft de biograaf er nog één van onthutsend kaliber: een bijzonderheid over Mengelbergs seksuele vermogens. Het intieme detail wordt zo laconiek gebracht - na de opmerking dat het kinderloze echtpaar nooit gezamenlijk sliep - dat je de zin driemaal leest voor je accepteert wat er staat:

null Beeld Getty
Beeld Getty

Vervreemding

'Voor een goed begrip van de situatie is het van belang om hier te vermelden dat het een gegeven was dat Willem impotent was, een fysieke beperking waarmee hij altijd al behept was geweest en die niet overging.' Eenonthulling die de biograaf dankt aan 'mededelingen van verwanten uit de kring van de familie Mengelberg'. Zwart komt er incidenteel op terug, het meest expliciet in zijn slotbeschouwing (zou zijn gevoel van miskenning 'te maken kunnen hebben met zijn impotentie?'), maar onthoudt zich van toelichting of interpretatie. Terwijl je toch meteen, om iets te noemen, denkt aan Mengelbergs uitspraak: 'Het orkest is mijn zoon, de Chasa mijn dochter.'

Er is meer dat bevreemding wekt. Frequente, nodeloze herhalingen, brokkelig aaneengeregen passages en andere ongemakken, die de vraag opwerpen of een en ander te wijten valt aan het ongelukkige gesternte waaronder de auteur zijn werk moest voltooien. Elf jaar na het begin kreeg Zwarts NMI namelijk de doodskus van Halbe Zijlstra: het instituut verloor zijn subsidie en onder hectische omstandigheden moest Zwart de collectie zien te redden (sinds dit jaar is ze ondergebracht bij het Haags Gemeentearchief).

Toch: een portret ten voeten uit, fascinerend, van een hardhoofdig genie dat nog steeds weigert zich zo maar in het pantheon van grote Nederlanders te voegen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden