Review

Fascinerend beeld van wegen en polders in Suriname

Twee ingenieurs geven een fascinerend beeld van de wegen, kanalen, bruggen en polders die tot 1945 zijn verrezen aan de Surinaamse kust. Pas in 1938 kreeg Paramaribo de eerste geasfalteerde weg.

De plantages zijn verdwenen, de enkele die er nog is, dient als toeristische trekpleister. Maar wie door Paramaribo rijdt of een tocht maakt door de districten langs de kust, ontwaart overal nog overblijfselen en herinneringen aan de Hollandse kolonisatiedrift. Sluizen, kanalen, restanten van spoorlijnen, bruggen en polders zijn stille getuigen van de pogingen sinds de zestiende eeuw om de 'Wilde Kust' te overwinnen.

De kustlijn van Suriname en de buurlanden kreeg indertijd deze woeste bijnaam, maar het was niet vanwege het ondoordringbare oerwoud of de zee die moest worden overwonnen. 'Wild' sloeg op de indianen die er tot dan als enige in waren geslaagd het gebied met zijn ziektes, slopende hitte en altijd aanwezige muskieten, tot hun woonoord te maken. Zij waren tevreden met wat ze om zich heen zagen. Maar de Nederlanders die er ruim vierhonderd jaar geleden neerstreken, wilden bouwen. Er moest infrastructuur worden aangelegd om geld te verdienen aan de Wilde Kust.

In Bouwen aan de Wilde Kust geven de Surinamer Marcel Meyer en de Nederlander Hillebrand Ehrenburg een fascinerend beeld van de infrastructuur die tot 1945 is verrezen in de kolonie. Aan de hand van oude landkaarten en historische foto's schetsen de twee ingenieurs hoe de kustlijn beetje bij beetje in bezit werd genomen. Want snel ging het niet. Wegen bijvoorbeeld, waren er tot 1900 amper.

Tot het eind van de 19de eeuw ging vrijwel al het transport via het water. Terwijl de Britten in buurkolonie Brits-Guyana een goed wegennet aanlegden, hielden de Nederlanders het bij zand- en schelppaden. De rest, paden in het oerwoud, was aangelegd door indianen en boslandcreolen. En dat in een land dat vier keer groter was dan Nederland. De eerste geasfalteerde weg kreeg Paramaribo pas in 1938. De districten volgden veel later. Op een intrigerende foto is te zien hoe een auto langzaam een zandpad afrijdt in het binnenland. Aan weerskanten doemt het bos op. Het is de weg tussen de oostelijke stadjes Moengo en Albina, een gebied dat na 1945 belangrijker werd vanwege de bauxietwinning.

Posentriehout wordt weggesleept, 1946.Beeld Uit boek 'Bouwen aan de Wilde Kust'

De beteugeling en ontwikkeling van de Wilde Kust mochten dan niet zo snel gaan, zonder al die kanalen, sluizen en polders is het moeilijk voor te stellen hoe Suriname zich zou hebben ontwikkeld. Zonder mannen als David Havelaar, een van de Delftse ingenieurs die Nederland internationaal op de kaart zetten op het gebied van de waterbouwkunde. Havelaar belandde in 1893 in Suriname om het Saramaccakanaal te verbreden.

Dit kanaal werd ruim een eeuw daarvoor bedacht om twee belangrijke rivieren met elkaar te verbinden. Zo kon meer gebied worden ontwikkeld. Met een lening van drie miljoen gulden werd onder andere een baggermolen gekocht en werden sluizen aangelegd. Havelaar speelde ook een belangrijke rol bij de afwatering van Paramaribo. In 1906 vertrok hij weer naar Nederland. 'Wat alom werd betreurd in Suriname', aldus de schrijvers. De rijstlandbouwers, de bewoners van Paramaribo en een enkele toerist die dagelijks het kanaal gebruiken, hebben nog steeds profijt van Havelaars werk.

Hillebrand Ehrenburg en Marcel Meyer

Bouwen aan de Wilde Kust
Non-fictie
LM Publishers; 335 pagina's; euro 37,50.

Saramaccastraat met brug, circa 1830.Beeld Uit boek 'Bouwen aan de Wilde Kust'
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden