F.B. Hotz ziet alles zonder op te kijken

Alles in mij moet besterven, zegt de schrijver F.B. Hotz, winnaar van de P.C. Hooftprijs. Hij was al 54 toen hij debuteerde....

EÉN van de vele onvergetelijke verhalen van F.B. Hotz (Leiden, 1922), de winnaar van de P.C. Hooftprijs, staat in de bundel Eb en vloed en heet Liebestraum. Het speelt in het jaar na de krach van Wall Street, maar in het gezin van de toen jonge verteller was van de crisis nog weinig te merken.

In twaalf bladzijden wordt een wereld opgeroepen waarin werd gedanst op de vulkaan. De ouders van de ik-figuur waren nog niet gescheiden, maar aan hun geprikkelde conversaties was het naderende onheil al af te lezen. Het is oktober, de jongen heeft een herfstgevoel: 'Straks zouden de novemberstormen komen en wat zou ik later moeten worden.'

Vader en moeder hielden in hun huis dansavondjes. De jongen en zijn zus lagen er in bed naar te luisteren, hoe in de huiskamer naast hun kabinet de grammofoon begon te spelen; eerst klassiek, en later op de avond Paul Whiteman met het swingender werk. Er werd gedronken en gelachen.

Moeder heeft ook Bert Tuinman uitgenodigd, de schlemiel met wie ze toch te doen heeft. Ze hoopt hem te koppelen aan Tine, een schrikachtige vrouw met een groot gezicht en puilende ogen die ook blijft logeren.

Bert presteert het om beneveld en wel in de tussenkamer op het bed te ploffen. Volgt een doffe knak. Bert staat op en staart naar een plaat in twee helften. Even later klinkt de rinkelende slag van versplinterd glas. De keukendeur aan diggelen. Driemaal raden wie daar met zijn zatte hoofd doorheen is gelopen.

Als het feest ten einde is, wordt Tine boven te logeren gelegd. Ineens het gekraak van voetstappen op de zoldertrap. Bert Tuinman, betrapt even voor heterdaad, met een grote pleister op zijn voorhoofd, van de keukenruit waarschijnlijk. Bert wordt naar buiten gebonjourd, hij sluipt door de geluidloze nacht naar het station dat pas over uren open zal gaan.

De volgende morgen zit iedereen bedrukt aan het ontbijt, Tine inbegrepen, want die was zo graag met Bert naar het station gelopen. Ze begrijpt niet waarom hij in alle vroegte is weggestuurd. Om de boel op te vrolijken zet vader Liebestraum van Liszt op, en wil dat laten volgen door hetzelfde stuk in een arrangement van Whiteman. Maar hij kan de plaat niet vinden. Zus wordt rood en verraadt met enige verve Bert Tuinman: 'Hij ging er per óngeluk op zitten, zei ze er nog wel bij.'

Nu is vader ook woedend. Hij valt uit tegen zijn vrouw, die daarop haar jas pakt om ter kerke te gaan. In de vestibule vindt ze de zondagochtend-Telegraaf. De voorpagina meldt dat het nieuwe Engelse luchtschip, de R 101, het grootste ter wereld, op weg naar Karachi in storm en regen is vergaan. 'Moeder vertrok. Vader ging zoeken in de tussenkamer. Diep onder het brede bed vond hij Liebestraum in twee stukken. Hij legde die delen aan elkaar op tafel, schroefde z'n oranje Parker vulpen los en noteerde het bestelnummer van de plaat vastberaden in een zakboekje.'

Dit verhaal bevat vele Hotz-kenmerken. Het roept een voorbije tijd terug aan de hand van details - de grammofoon, de zondagochtendkrant, het luchtschip -, op zo'n manier dat ze niet alleen als decor fungeren. Ze geven het verhaal over de liefdesdroom van Bert (die een droom moet blijven), én die van het Leidse echtpaar (die weldra ook in twee stukken uiteen zal vallen) kleur.

Even veelzeggend is de rol van de ik-figuur. Hij is de registrerende buitenstaander die 's avonds in zijn bed overstroomt van een nog ongericht verlangen. 'O God, dacht ik - misschien om die hang betekenis te geven - laat me iets worden later; niet niets zoals Bert Tuinman.'

F. (Frits) B. Hotz is iets geworden. Na de oorlog was hij jarenlang werkzaam als jazztrombonist in binnen- en buitenland (ook daarover heeft hij schitterende verhalen geschreven), trouwde, kreeg een zoon en scheidde acht jaar later. Omstreeks 1945 begon hij ook met schrijven. Pas in 1976, toen hij 54 jaar was, achtte hij de tijd rijp voor zijn debuutbundel Dood weermiddel. 'Met de publicatie daarvan kreeg mijn leven, dat zinloos was gaan lijken, plotseling zin.'

Daarna verschenen Ernstvuurwerk (1977), Proefspel (1980), Duistere jaren (1983), Eb en vloed (1987), allen verhalenbundels. Hij beproefde de langere baan in de novelle De voetnoot (1990) en de roman De vertekening(1991). Het voorlopig sluitstuk van het oeuvre is de korte bundel met - wederom - verhalen en enkele beschouwingen, De vertegenwoordigers (1996). Dat het oeuvre min of meer als afgerond beschouwd mag worden, bleek uit de uitgave Het werk van vorig jaar. Het betreft een tweedelig boekwerk in cassette, tezamen ruim dertienhonderd pagina's, bevattende alle genoemde titels.

De in Oegstgeest woonachtige schrijver begeeft zich zelden in de openbaarheid en is nooit scheutig geweest met het geven van interviews. 'Ik praat niet graag.' De verhalen moeten het werk doen, die mooie verzameling vertellingen over de tijd tussen de wereldoorlogen, waarin de hoop op een betere wereld nog niet voorgoed de bodem was ingeslagen.

Hotz plaatst zijn personages nadrukkelijk in die periode, maar door zijn stijl en toon - ironisch en ingehouden maar minder kaal dan Elsschot, zwaarmoedig maar nooit zo hartgrondig pessimistisch als Van Oudshoorn - tilt hij ze er met één en dezelfde beweging uit. De romantiek, de muziek, de glorie van de Blauwe tram naar zee, ze dempen de somberte en omgeven zijn proza met een ontroerend floers. Zijn verhalen handelen veelal over eenzelvige mannen, afkomstig uit een gebroken gezin, wier dromen stuk lopen op de werkelijkheid, het lot, vrouwen die hen volledig voor zichzelf willen, de medemens met wie het soms lastig contact maken is.

Alles moet bij mij besterven, zei hij in 1979 in de Haagse Post, als verklaring voor zijn geduldige werkwijze. En: 'Men roemt mij om mijn observatievermogen, maar vreemd genoeg ga ik nooit naar buiten om te kijken, zoals bij voorbeeld Simon Carmiggelt doet. Meestal loop ik met licht gebogen hoofd door de straten en valt me niets bijzonders op. Jaren later blijkt dat ik wel degelijk dingen gezien heb.'

Hotz betitelde zijn verhalen als ouderwets, in die zin dat ze een begin en een einde moeten hebben: 'De autobiografie levert niet meer dan ruw materiaal waarvan ik een gedeelte gebruik. Bij schrijven is de essentie vorm, de vorm komt van binnenuit - daarom kun je schrijven niet leren - en al het andere is bijkomstig.'

Vaststaat dat de jongen die ooit bang was dat hij een nul zou worden, met de toekenning van de P.C. Hooftprijs voor proza andermaal een bewijs heeft gekregen, dat hij zijn talenten niet heeft verspeeld. Het werk, monumentaal uitgegeven, krijgt een verdiende bekroning. Dankzij het werk van Hotz kunnen we de Blauwe tram onveranderd naar zee zien stomen. Dat is een ervaring, die de lezer aangenaam- treurig stemt: de Hotz-ervaring.

Arjan Peters

De boeken van F.B. Hotz zijn verschenen bij De Arbeiderspers.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden