beschouwingHier. Zwart in Rembrandts tijd

Expositie Zwart in Rembrandts tijd toont een nieuwe aanwezigheid in het 17de-eeuwse stadsbeeld

Jasper of Jeronimus Beckx, Portret van Dom Miguel de Castro (1643).Beeld Statensmuseum for Kunst, Kopenhagen

In de 17de eeuw werden zwarte mensen voor het eerst anders afgebeeld dan als Caspar of kamerling, toont een expositie in het Rembrandthuis. 

Dom Miguel de Castro deed Nederland in twee maanden. Dat zat zo: de Congolese gezant (en collaborateur met de Nederlanders in de trans-Atlantische slavenhandel) had in Nederlands-Brazilië gouverneur Johan Maurits van Nassau-Siegen bezocht om een bondgenootschap te sluiten voor zijn oom, de graaf van Sonho, maar Johan Maurits stuurde hem door naar het thuisfort; zo belandde Dom Miguel in de Republiek.

Daar werd hij van het kastje naar de muur gestuurd. Hij kwam aan in Middelburg, leverde een brief af voor de stadhouder in Den Haag en reisde vandaar naar Amsterdam, hoofdkwartier van de West-Indische Compagnie. Toen hij in die stad een katholieke mis bijwoonde, kreeg hij een setje hosties cadeau, een souvenir. En er was nog een belangrijker aandenken waarmee Dom Miguel huiswaarts keerde: een portret.

Dat schilderij (uit 1643) is nu in bezit van het Statens Museum for Kunst in Kopenhagen. Het toont de Congolese gezant frontaal vanaf zijn middel, tegen de achtergrond van wat lijkt op een zonsopgang of zonsondergang. Hij draagt het uniform dat Johan Maurits hem eerder schonk. Gevederde beverhoed op het hoofd, fluwelen mantel met zilveren boord om de schouders: Dom Miguel is helemaal ’t heertje. 

Het is een levensecht portret: de vettige huid en goed geknede trekken wekken de indruk dat de geportretteerde ieder moment kan gaan spreken (of gapen). Het is een uitzonderlijk portret: het is de enige beeltenis van een zwarte man uit de Noordelijke Nederlanden in de 17de eeuw waarop de zitter met zekerheid kan worden geïdentificeerd; een portret, bovendien, waarvan de maker niets meer is dan een naam, en zelfs dat niet: Jasper of Jeronimus Becx. 

Het portret is een van de hoogtepunten van Hier. Zwart in Rembrandts tijd, een tentoonstelling in het Rembrandthuis over de verbeelding van zwarte mensen in kunst uit de Republiek in de Gouden Eeuw. 

Die periode, vertellen de gastconservatoren van de tentoonstelling, Stephanie Archangel (junior conservator bij het Rijksmuseum) en Elmer Kolfin (kunsthistoricus aan de Universiteit van Amsterdam), enkele weken voor de opening, was uitzonderlijk wat betreft de representatie van zwarte mensen. Voor het eerst werden zij afgebeeld in andere rollen dan de gebruikelijke: die van de zwarte koning die het Christuskind zijn eer komt bewijzen of de Afrikaanse kamerling die zich door Filippus laat dopen. Nu zag men ze ook op eigenstandige tronies en portretten, en als figuranten in historiestukken en bijbeltaferelen, zoals Rembrandts Opwekking van LazarusEn wat belangrijker was: de kunstenaar had hen vaak met zijn eigen ogen gezien. In het atelier. Op straat. Door het raam. 

In het Rembrandthuis treffen we meerdere van zulke schilderijen en tekeningen naar het leven, stuk voor stuk gemaakt door blanken. Als aanvulling toont de expositie daarom ook een reeks hedendaagse portretten van zwarte mensen van de hand van zwarte kunstenaars.

Positiever verhaal

Het idee voor de tentoonstelling, vertelt Archangel, ontstond toen ze in het Mauritshuis stond te kijken naar Rembrandts Twee Afrikaanse mannen, een van diens mooiste tronies. Het toont twee donkere mannen in een pose die intimiteit suggereert: het hoofd van de linker rust op de schouder van de rechter. Wat Archangel eraan frappeerde was hoe normaal de mannen oogden: ‘Ik was gewend dat zwarte mensen op schilderijen ofwel nederige bedienden waren, of een zwarte koning of iets dergelijks. Maar deze mannen waren geen van beiden. Het waren individuen, ze waren zichzelf. Ik dacht: wow, kan dit ook? En: is hier meer van?’

Met die vraag benaderde ze Kolfin, maker van verscheidene tentoonstellingen over Afrikanen in de Nederlandse kunst (waaronder Black is Beautiful in de Nieuwe Kerk in Amsterdam), die prompt voorstelde een expositie over het onderwerp te maken. Dat was vijf jaar geleden. Ze waren het er snel over eens wat ze wilden, of beter: wat ze níét wilde: géén tentoonstelling over slavernij. Een positiever verhaal.

Om die reden lieten ze één topos bewust onderbelicht: de zwarte page. Het was in de 17de eeuw gebruikelijk voor hooggeplaatste types (zoals Michiel de Ruyter) zich op portretten te laten flankeren door een opgetuigd zwart jongetje, en ja, dergelijke portretten getuigen van misplaatste superioriteit en exotisme. Maar, zegt Archangel, zulke beelden krijgen zo veel aandacht dat het soms lijkt alsof er voor zwarte mensen geen andere rollen waren dan die van horige. 

Hendrick Heerschop, Koning Caspar (1654/1659).Beeld Staatliche Museen zu Berlin

Die waren er wel degelijk: zeeman, burger, moeder of zoon. Als voorbeeld noemt Archangel Hendrick Heerschops Koning Caspar, het portrait historié dat ook op de omslag van de catalogus staat: een donkere man met oorbellen en wenkbrauwen als gedraaide komma’s, een memorabel werk. ‘Toen ik hem zag, dacht ik direct: ik ken hem!’, zegt Archangel. ‘En iedereen aan wie ik hem liet zien, reageerde precies hetzelfde.’ 

Zo’n moment van herkenning met een charismatische figuur, zegt Archangel, is voor zwarte mensen, van wie de voorvaderen meestal zijn voorgesteld in inferieure rollen, heel belangrijk. Het biedt nieuwe, opwekkender mogelijkheden van identificatie. Hun verleden bestaat uit meer dan sjabloonmatige figuren. Archangel hoopt dat de tentoonstelling aan dat besef bijdraagt.

Cornelis Cornelisz. van Haarlem, Het toilet van Batheba (1594).Beeld Rijksmuseum

Bij de ontwikkeling van Hier. Zwart in Rembrandts tijd riep het Rembrandthuis de hulp in van een extern, etnisch divers panel, met onder anderen oud-nieuwslezer Noraly Beyer en regisseur Jörgen Tjon A Fong. Zij gaven hun mening over de selectie en de begeleidende teksten. Noodzakelijke kritiek, aldus Hester Huitema, hoofd Tentoonstellingen bij het Rembrandthuis. ‘Onze instelling is hartstikke wit en heeft daardoor blinde vlekken. Dat bleek ook hier. Het panel wees ons er bijvoorbeeld op dat in de teksten regelmatig de toevoeging ‘zwart’ werd gebruikt: ‘schilderij van een zwarte man’, ‘tekening van een zwarte vrouw’. Overbodig. Bij een beeltenis van een witte figuur schrijf je immers ook niet: ‘portret van een blanke man’.’

Vóór de 17de eeuw, zo laat de presentatie zien, werden zwarte mensen meestal ‘uit de geest’ geschilderd, uit de fantasie dus. Op Cornelis van Haarlems Het toilet van Bathseba, bijvoorbeeld, is Bathseba’s zwarte bediende eigenlijk een witte bediende, maar dan zwart gekleurd, en met een rondere neus.

Begrijpelijk, zegt Archangel. In de 16de eeuw was het aantal zwarte mensen in de Noordelijke Nederlanden op één hand te tellen. In de Zuidelijke Nederlanden trouwens ook, voegt Kolfin toe: ‘Toen de kunstenaar Albrecht Dürer in Antwerpen een zwarte man ontmoette, ging hij die direct tekenen – hij vond dat heel bijzonder.’ De meeste 16de-eeuwers echter namen hun toevlucht tot fantasie en verhalen. Een paar decennia later schilderden hun vakgenoten wél zwarte mensen naar observaties uit de eerste hand.

Straatbeeld

De reden daarvoor was eenvoudig: zwarte mensen waren een aanwezigheid geworden in het straatbeeld van de Republiek. Geen dominante aanwezigheid weliswaar, maar toch: ze waren er. Portugese immigranten namen Afrikaanse knechten mee naar Amsterdam. De betrokkenheid van de Republiek bij de trans-Atlantische slavenhandel bracht slaafgemaakte bedienden, zeelui en ambassadeurs van de Afrikaanse westkust naar diezelfde stad. Rond de Amsterdamse Jodenbreestraat, waar Rembrandt zijn huis en atelier had, was een kleine gemeenschap van vrije zwarte burgers (zie ook het interview met historicus Mark Ponte), mannen en vrouwen van wie we de namen nog kennen, en die hun geld verdienden als matroos of met kamerverhuur. Sommigen klusten bij als figurant in het theater. Een enkeling poseerde als schildersmodel.

In de tentoonstelling in het Rembrandthuis hangt een van de vruchten van zo’n sessie: een fraaie tekening van Jacob Backer van een zittende zwarte vrouw met ontblote borst en een hoofddoek, de enige naar het leven getekende zwarte vrouw uit deze periode. Haar identiteit is onbekend, zoals dat voor alle zwarte modellen uit deze tijd geldt (net als voor veel naar het leven getekende studies en tronies van blanken, trouwens). 

De zittende zwarte vrouw van Jacob Adriaensz Backer.Beeld Rembrandthuis

Het is voor te stellen waarom Backer en de zijnen geïnteresseerd waren in zulke modellen: ze waren anders. Hun huid en haar verschilden van die van de gemiddelde Hollander; hun fysionomie week af van die van Jan en Mien. Voor schilders, die voor alles gepreoccupeerd zijn met uiterlijkheden, was dat interessant. Kolfin: ‘Hoe ets ik dat donkere lichaam?, zal men zich onbewust hebben afgevraagd. Hoe geef ik er schaduw en volume aan?’ De nieuwkomers stelden kunstenaars voor uitdagingen. Iemand als Rembrandt had daar aardigheid in.

De productie van zulke waarheidsgetrouwe beeltenissen stokte in de jaren zestig van de 17de eeuw. Tegelijk met de namen van de nieuwkomers in de stadsregisters (door verbastering en huwelijken) verdwenen ook hun levensechte weergaven – heel mysterieus. Wellicht waren modellen het poseren beu. Wellicht was de nieuwsgierigheid van kunstenaarszijde gedoofd. 

Hoe dan ook, terwijl schilders ophielden levensechte zwarte mensen te schilderen, deden karikaturen opnieuw hun intrede. Ter rechtvaardiging van de slavernij, waarbij de Republiek sinds 1630 betrokken was, werden zwarte mensen afgeschilderd als dom, onbeschaafd, onbetrouwbaar, kortom, als inferieur, en werd hun een gestandaardiseerd exotisch uiterlijk aangemeten: volle rode lippen, grote witte tanden et cetera. Zulke stereotypen zijn niet te missen, maar leven tot in de moderne tijd voort. Op advertenties voor rookwaar bijvoorbeeld. Of in Zwarte Piet.

Hier. Zwart in Rembrandts tijd, 6/3 tot en met 31/5, Rembrandthuis, Amsterdam.

Portret, tronie en portrait historié

Wat is nu precies het verschil tussen een portret, een tronie en een portrait historié? Eenvoudig: een tronie is een portretstudie van een naamloos model. De identiteit van de afgebeelde is niet bekend, en doet er ook niet toe, denk bijvoorbeeld aan Vermeers Meisje met de parel. Bij een portret doet die identiteit er wel toe: men moest kunnen zien: ah, dat is Constantijn Huygens of: hé, Maurits van Oranje. Een portrait historié zit tussen de twee genres in: het is een herkenbare figuur, uitgedost als fictief personage. Bijvoorbeeld: Ferdinand Bol die Margaretha Trip schilderde als Minerva, of Rembrandts zelfportret als Paulus.

Eindelijk is ook de zwarte gemeenschap in 17de-eeuws Amsterdam in beeld gebracht
De basis voor de tentoonstelling Zwart in Rembrandts tijd vormt het onderzoek van historicus Mark Ponten (40), die de zwarte gemeenschap in 17de-eeuws Amsterdam in kaart bracht. Aan de Volkskrant vertelt hij hoe ondertrouwregisters een goudmijn bleken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden