Even lekker de kerstnacht aankleden

HIJ WAS EEN koorknaap die in het Latijn zong, totdat zijn stem brak en hij van de koorschool af moest....

Het zegt hem niet bijster veel meer, de verteller uit de novelle Kerstnacht in de kathedraal, die op de eerste bladzijden nog niet veel lijkt te verschillen van de schrijver ervan, Geerten Meijsing. Maar zodra de ik-figuur zijn beroep toelicht - theatermaker annex middelaar tussen kunstenaar en consument, iemand die 'zeg maar gewoon het product aan de man' wil brengen ), voel je op je klompen aan dat Meijsing een sinjeur het woord geeft aan wie hij zelf een schurfthekel heeft. Zo'n parasiet die van de kunst leeft door haar te versjacheren, dat is zijn hoofdpersoon ten voeten uit. En waar zou die beter gedijen dan in het vooruitstrevende Haarlem, waar nog maar kort geleden een antieke bisschop als Bomers sneuvelde omdat hij niet mee kon komen met de moderne tijd.

Want zelfs aan Haarlem, de snurkende provinciestad die zich altijd maar moeilijk kon ontworstelen aan het imago van sociëteit Teisterbant, Teylers Museum en de kanten kragen van Frans Hals, gaan de verworvenheden van de nieuwe tijd niet voorbij. Konden de vrienden Garden en Snell in Michael van Mander (1979) van Joyce & Co, het pseudoniem van Geerten Maria Meijsing en Keith Snell, nog ongestoord discussiëren onder de koepel van het Teylers, waar ze hun hart ophaalden 'aan de vergeten, mottige atmosfeer van de ambiance, waar de tijd was blijven steken in de trekbel aan de voordeur en de voorkomendheid van de conservator', op heden is er zelfs een nieuwe vleugel aan het museum gebouwd. En de neogotische spits van de gesloopte Spaarnekerk is tegenwoordig aan te treffen op een laag gebouwtje in Schalkwijk waarin een patatbakker is gevestigd.

Geerten Meijsing, die opgroeide in Haarlem en om die reden door de plaatselijke uitgeverij Gottmer voor haar kwalitatief hoogstaande Muggenreeks werd gevraagd 'zijn verhouding tot Haarlem en de Haarlemmers' te verwoorden in een novelle, had een paar rekeningen te vereffenen. Hij doet dat werkelijk subliem, door een gothic novel te situeren in een neogotische kathedraal, en wel de Nieuwe Bavo die hij uit zijn jeugd kent.

Jeugdherinneringen worden afgelost met opmerkingen over de bouwstijl en -historie van die kathedraal, die altijd in de schaduw heeft gestaan van de Oude Bavo, de blikvanger in het hart van de stad. De tamelijk zakelijke passages over interieur en vormgeving van de kerk geven gaandeweg hun functie prijs: ze dienen niet alleen om Meijsing te laten uitpakken over de symboliek die de oude bouwmeesters toepasten in hun 'vijfbeukige kruisbasiliek' en die door zowat niemand nog wordt begrepen, maar ook om de lezer vertrouwd te maken met de plaats van handeling, waar een drama zal plaatsgrijpen. Kerstnacht in de kathedraal kent vijf hoofdstukken - net als een klassieke tragedie. Een boek schrijven is, mutatis mutandis, het optrekken van een bouwwerk, met kruisgewelven en zijbeuken. Meijsings voorliefde voor harmonieuze constructies kennende, moet de correspondentie tussen het aantal beuken van de basiliek en de hoofdstukken van dit verhaal geen coïncidentie zijn.

Maar waar deze auteur zich in ander werk wel kan verliezen in antieke schema's die toppers in de hoge kunsten ooit uitdachten, houdt hij nu ook terdege zijn verhaal in de gaten. Hier is sprake van een uitgebalanceerde harmonie tussen vorm en inhoud.

'Beeldhouwer heb ik nooit willen worden. Ik leid liever een ordentelijk bestaan zonder mijn handen vies te maken', stelt de verteller parmantig. Intussen maakt hij vuile handen, door de opdracht aan te nemen de kerstnachtviering in de kathedraal 'mediageniek' op te tuigen. Het hele spektakel zal live worden uitgezonden op de televisie.

De verwording ten top: het mysterie te grabbel gegooid voor het thuis buizende vulgus. De plebaan van de kathedraal, die zichzelf als een manager beschouwt, babbelt de theatermaker bij over 'een opening maken naar de mensen toe'. De ik-figuur laat zich overtuigen door het aanzienlijke honorarium dat hem in het vooruitzicht wordt gesteld.

Voosheid alom, thans ook al in Haarlem, ben je geneigd te verzuchten. Waar moet het naar toe, als we zo met ons culturele erfgoed omspringen? Terecht, dat Meijsing het verzoek van de uitgever heeft aangegrepen om de stad waar hij zijn jongensjaren doorbracht, eens goed de waarheid te zeggen.

Het mooiste moet dan nog komen. En op dát moment blijkt waarom de schrijver niet namens zichzelf spreekt, maar een antipathieke verteller naar voren schuift. Meijsing heeft zijn worsteling met de verplichting toch minstens óók iets aardigs te vertellen over Haarlem, listig doorgespeeld aan de theatermaker die voor een zak geld ingaat op de opdracht, de kerstnacht 'lekker' aangekleed op de verrekijk te pleuren. Natúúrlijk neemt die man zo'n vette klus aan. Hij had zijn geweten en zijn ziel immers decennia geleden in de kerkbanken achtergelaten?

Hij cast zijn eigen vriendin in de rol van Maria. Zij moet stokstijf in de levende kerststal plaatsnemen. Een huisvriend van ze wordt Jozef, een vriendin van Maria levert haar eigen pasgeboren baby. Rookmachine eronder, beetje jeukpoeder in de luier opdat het kerstkind passend krijt, een paar oude schapen, een ezel en een koe (bij ontstentenis van een os), plus de schurftige herder van zijn zus, en de show kan niet meer stuk.

Op de dag voorafgaand aan kerstavond speelt het restant van zijn geweten even op, als hij de kathedraal betreedt en ziet wat hij heeft aangericht. Tot overmaat van ramp betrapt hij in de sacristie Jozef en Maria in een pose die noch door hem, noch door enige apostel is voorgeschreven.

En dan rijpt het idee voor een wraakneming, die alleen deze apostaat die ooit van koorschool en patersschool is verdreven, ten uitvoer zou kunnen brengen. Om te beginnen stuurt hij Jozef naar huis, en plukt uit de eetzaal waar de kapittelheren aan de port met sigaren toe zijn, de verlamde pater die hem destijds van school trapte als inval-Jozef. Beetje raar gezicht misschien, hoewel: 'Rolstoel en vierkante bril incluis - de postmoderne vervreemding en ironie kent geen grenzen.'

Hij houdt van opera, deelt hij in het begin achteloos mede. In het Italiaanse bergstadje Barga maakten ze van de kersttijd een echt spettacolo, vertelt hij na dertig bladzijden (en dat ze daar ook van opera houden, blijkt uit Meijsings intrigerende novelle De koffer uit 1986).

Allemaal aankondigingen van het grote Haarlemse spettacolo van Kerstnacht in de kathedraal, waarin een man op eigentijdse wijze wraak neemt op wat hem is aangedaan. En al komt Haarlem er niet onverdeeld gunstig van af, dankzij Geerten Meijsing is de Nieuwe Bavo de plaats geworden waar zich bloedstollende taferelen afspelen. Zowel de verteller als de schrijver geeft zijn opdrachtgever uiteindelijk waar voor zijn geld. Dit boek verdient landelijke bekendheid, naar de mensen toe.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden