columneva en eddy posthuma de boer

Eva Posthuma groeide op in de wereld waar een gebakje een taartje is

In het Brabant waar mijn man vandaan komt, vragen ze of je een gebakje lust. In mijn familie, die van mijn moeders kant welteverstaan, is dat not done. Het moet zijn: wil je een taartje? Ik denk daar vaak over na. De taal van mijn moeders familie is er een van ongeschreven wetten. Het gaat verder dan ABN, het gaat om hoe het heurt, maar vaak zonder dat hoe het heurt kan worden verklaard. Bijvoorbeeld. Woning is huis. Welterusten is slaap lekker. Een wagen is een auto. De zaak is kantoor. Lijf is lichaam. Kleding zijn kleren. Een kostuum is een pak. Colbert is jasje. Pantalon is broek. Stropdas is das. Pantoffels zijn sloffen. Meubilair zijn meubels. Een fauteuil is een stoel. Koelkast is ijskast. Patat is frites. Trek is zin. De maaltijd is het eten. Vaatwasser is afwasmachine. Vaatdoek is theedoek. Bankstel is bank. Trottoir is stoep. Tv is televisie. Cv is verwarming. Visite is bezoek. Enkel is alleen.

Mijn oma, o nee, je zegt grootmoeder, gran of bonmama, was een puritein in dit jargon. Mijn moeder is minder streng in de leer, ik nog minder. We kunnen erom lachen, ook om de absurditeit van het verheven, oordelende karakter dat erachter schuilt. Wát mensen zeggen vinden we interessanter dan hóé ze het zeggen. Maar toch, helemaal ben ook ik niet aan de hoe-het-heurt-paplepel ontkomen. Al mijn verzet ten spijt, als iemand aan tafel vraagt of ik ‘nog wat blief’, gaan mijn haren recht overeind staan. Tenzij het in het Limburgs klinkt, dan blief ik best nog wat. Zoals ik in het Brabants ook nog wel een gebakje lust. Je zou er schizofreen van worden. 

Mijn moeder groeide op in Blaricum, dus ligt het voor de hand het familiejargon Goois te noemen. Maar volgens mij strekt het taalgebied zich verder uit. Ik zie een horizontale strook over het midden van Nederland voor me, een ‘taalgordel’, met daarin Wassenaar en koninklijk Den Haag, de Amsterdamse Concertgebouwbuurt, Aerdenhoutse contreien, Hattemse plaatsen rond Zwolle, en aan de onderzijde van de gordel het Bredase Ginneken. In geografisch licht zou je het jargon dus best als een dialect kunnen bezien. Maar ook dat is not done. En wee je gebeente het kakkineus te noemen, hoe adequaat die typering ook is. 

Hoe noemt men het dan, deze taal van de adel, van de upper class, van oud geld, van het koningshuis, van Jort Kelder, van het Leidsch Studenten Corps, van mensen met zegelringen? Overigens is het niet zo dat iedereen met een zegelring het spreekt, maar iedereen die het spreekt, draagt wel een zegelring. En die mensen zeggen geen toilet maar wc, plee, kleinste kamertje of double u – wie denkt dat ‘toilet’ chic klinkt, is zelf verre van chic. Of zoals mijn moeder altijd zei: de koningin gaat gewoon naar de plee. En niet gelijk, maar meteen. Want gelijk heb je. Of niet. Ook als het taal betreft.

Overijssel, 1990.Beeld Eddy Posthuma de Boer
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden