Esprit nouveau in Heino

'Een soort Matisse van de armen', schreef hij over de schilder Kees van Dongen. Nederlandse kunstenaars maakten sowieso geen onvergetelijke indruk op hem....

LUL. Het zal weer eens niet. In de dichtbundel Alcools van Guillaume Apollinaire uit 1913 staat een gedicht met de onfranse titel 'Lul de Fantenin'. Voorts zien we in het beeldgedicht 'Carte postale' uit de even roemruchte opvolger Calligrammes dezelfde kreet in kapitale letters midden op de pagina prijken.

Van alle woorden die hij heeft opgevangen tijdens de bezoeken die hij in 1906 en 1908 aan ons land bracht, koos hij uitgerekend dát om iets mee te doen. In de catalogus bij de tentoonstelling 'Apollinaire. Woordvoerder van de avantgarde

avantgardist van het woord' meldt Bastiaan van der Velden het enigszins besmuikt in de kleine lettertjes van de voetnoten, terwijl hij trotser verwijst naar de keren dat Apollinaire de woorden Amsterdam, Leiden en Gouda dropt. Zelfs staat er bij het artikel een foto afgedrukt van die pagina uit het gastenboek van het Haarlemse Frans Hals Museum waaruit blijkt dat de Parijse dichter en kunstcriticus op 8 augustus 1906 binnen is geweest. Alleen, Hals kwam niet in een vers terecht, terwijl die lul tot twee keer toe verschijnt. Laten we het er maar op houden dat hij het een fascinerend palindroom vond. Daarbij, voor de auteur van de pornografische satire Elfduizend roeden vallen die twee lullen nog mee.

Veel bijzonders heeft hij hier niet meegemaakt. De anekdote wil dat hij tijdens zijn verblijf in 1908 boekrecensies schreef voor het tijdschrift La Phalange, zonder dat hij de boeken eerst las. Niet om niet beïnvloed te worden, maar denkelijk omdat hij ze hier niet bij zich had. Geen probleem. De boeken, plus zijn meningen hierover, verzon hij zelf.

Van een grote Nederlandse invloed op leven en werk van Guillaume Apollinaire (1880-1918) kan niet gesproken worden. Weliswaar heeft hij zich beijverd voor het werk van Kees van Dongen, maar die schilder woonde in 1905 gewoon in de Bateau Lavoir te Parijs, het grote complex in Montmartre waar Picasso zijn atelier had en alle groten van de toekomst elkaar troffen. En de houding van Apollinaire tegenover de Hollander was tweeslachtig. Vooruit maar, lijkt hij gedacht te hebben, ik doe een goed woordje voor hem, maar laat niet onvermeld dat ik zijn werk aan de banale en vulgaire kant vind. 'Een soort Matisse van de armen', schreef hij in 1913 over Van Dongen, die toen nog enige tijd verwijderd was van zijn populariteit als society-schilder.

Voor de hand liggend is het derhalve niet direct, dat afgelopen zaterdag de Apollinaire-tentoonstelling werd geopend in kasteel Het Nijenhuis in het Overijsselse plaatsje Heino. Ook al meldde Agnes Grondman, directeur van het Museum Hannema-de Stuers Fundatie (dat gevestigd is in Het Nijenhuis) aan het begin van haar welkomstwoord dat het juist logisch was. In de collectie-Hannema bleek veel verzameld van de avantgardistische kunstenaars voor wie Apollinaire zich sterk maakte in zijn baanbrekende essaybundel Les peintres cubistes. Méditations esthétiques (1913).

Ruim vijftig tekeningen en schilderijen zijn er te zien van onder meer Picasso, Picabia, Modigliani, Gris, Severini, Delaunay, Léger, Gleizes. En Marie Laurencin, wier brave vrouwenfiguren weinig modernistisch, laat staan kubistisch aandoen. Maar wat wil je, lichtte kunsthistoricus professor Evert van Uitert in zijn toespraak toe, Apollinaire had vijf jaar een verhouding met Laurencin. Niet geaarzeld, ook zij kreeg een riedel: 'Vrouwelijke kunst, de kunst van Marie Laurencin, ontwikkelt zich tot een zuivere arabesk die door aandachtige natuurbeschouwing is vermenselijkt.' Ook dat kon je aan Apollinaire overlaten.

Ondertussen is de expositie het zoveelste bewijs dat de avantgarde aan het eind van de eeuw is gecanoniseerd, en zelfs geschikt voor een met wijn besprenkelde vernissage op een provincie-kasteeltje. Een ambiance die haaks lijkt te staan op de geest van waaruit de tentoongestelde werken zijn gemaakt. Apollinaire kantte zich in zijn gedreven artikelen niet voor niets tegen de behoudzuchtigen. Tegen museumdirecteuren, hoogleraren en academische critici. Tegen alles wat riekte naar de negentiende eeuw.

Alles moest anders: in de literatuur, in de kunstkritiek, in de beeldende kunst. De werkelijkheid diende niet te worden bepeinsd en in een impressionistisch figuratiefje te worden verdroomd. De kunst moest die werkelijkheid zelf zíjn, beweging en ruimte simultaan uitdrukken in de vorm en zo de snelheid van de nieuwe tijd bijblijven.

We hebben dit soort teksten al zo vaak gehoord, dat een reis naar Heino hoognodig is om de bril te poetsen, en de onbeteugelde vernieuwingsdrift uit het Parijs van de jaren tien en twintig aan den lijve te ervaren: de Eiffeltoren en de rugbyspelers (ongekend onderwerp!) op 'L'équippe de Cardiff' van Delauney; 'Stilleven met fles' van Apollinaires grote vriend Picasso met de café-tafel en de letters die van het etiket zijn losgeraakt en door het vlak zwerven; of de calligramme 'La petite auto', uit het gedicht waarin Apollinaire vertelt over het ritje d.d. 31 augustus 1914 van Deauville terug naar Parijs. Aan de vooravond van de mobilisatie dus: 'o nuit tendre d'avant la guerre', staat er in dat nog oergezellig ogende fragment in de vorm van het bewuste autootje – destijds een ophefmakende noviteit.

De avantgarde is historie geworden. Apollinaires gevecht paste naadloos binnen de al eeuwen gevoerde strijd tussen oud en modern, gevestigd en vernieuwend. Wat een radicale breuk leek, was toch een fase, zij het eentje die aanving met een grote sprong voorwaarts. Achteraf is het niet moeilijk vast te stellen: het nieuwe werkt alleen, als het oude zichtbaar is verwerkt.

Apollinaire brak een lans voor de nieuwe kunst in diverse tijdschriften en kranten, maar wist ook dat er pas beweging in de zaak zou komen als hij niet slechts voor eigen parochie preekte. George Sand heeft hem in 1913 zien netwerken, toen in Parijs Le sacre du printemps van Nijinski en Stravinsky werd opgevoerd: in avondkleding trok Apollinaire handenkussend langs de beau monde op de betere plaatsen in het theater. Tussen hen bevonden zich de verzamelaars die de jonge kunstenaars status konden geven.

Met evenveel recht kun je een relativerende noot plaatsen bij de vernieuwingen die Apollinaire in de dichtkunst introduceerde. Natuurlijk was het hoogst ongebruikelijk, dat weglaten van interpunctie, het abrupt nevenschikken van vergelijkingen, het spreken over vliegmachines en mooie stenotypistes, en dat alles vervat in een beweeglijke typografie die van het gedicht ook een schilderijtje maakte.

Evenwel, als we nu 'Zone' lezen, het openingsgedicht uit Alcools, kijken we daar allemaal niet meer van op, en beluisteren we daarentegen een gedragen en soms opzwepende troubadour (de rol van onfortuinlijke minnaar was hem op het lijf geschreven) die een dagje Parijs welluidend en met humor oproept: 'Het is Christus die gewiekster dan piloten de hemel in stijgt/ Het wereldrecord-hoogvliegen is en blijft zijn ereprijs.' Zo vertaalt Rein Bloem het in de catalogus nog tekstgetrouw. Jammer genoeg maakt hij even verder van Amsterdam ineens Mokum, en de alcool verandert in 'dat bocht'. Onvergeeflijk. Met alcohol bedoelt Apollinaire zowel bronwater als vuurwater: de hartenklop en de roes van de zojuist begonnen twintigste eeuw.

Voor een juiste blik dienen we ons terug te denken naar 1913, toen Alcools door Georges Duhamel werd weggezet als werk van een brocanteur, niet van iemand die een nieuwe en vitale techniek had ontdekt.

Zelf heeft Apollinaire nauwelijks kunnen delen in het succes en de acceptatie. Zijn bruisende leven en voortijdige dood maken hem geknipt voor een biografie: in 1880 geboren in Rome als kind van een Poolse en een Fransman die hem niet erkent, zwervend met zijn moeder langs casino's, huisleraar in Duitsland, opgepakt als vermeende dief van de Mona Lisa (en pas na vier maanden vrijgesproken), luitenant in het Franse leger, erkend als Fransman en meteen getroffen door een granaatsplinter in zijn schedel, getrouwd met Jacqueline Kolb (en met Picasso als getuige), een half jaar later getroffen door de Spaanse griep. En dan vergeten we al die liefdesgeschiedenissen nog, de gedichten, het proza, de artikelen en de vermaarde soirées in het koffiehuis 'Closerie de Lilas'.

Op 9 november 1918 stierf Wilhelm Albert Wladimir Alexandre Apollinaire de Kostrowitzky, de man met het peervormige hoofd die 'zijn buik als een rij verzamelde werken voor zich droeg' (Marc Chagall) en die door vele kunstenaars is afgebeeld, van Picasso via Asger Jorn tot René Daniëls. Hij werd 38 jaar oud. In die korte tijd heeft hij het vuur van de nieuwe kunst aangeblazen, waar we ons tientallen jaren aan hebben gewarmd, voordat de vermoeide brocanteurs van het postmodernisme roet in het eten kwamen gooien.

Tegenwoordig moet je naar Heino voor de esprit nouveau van ooit. De 'peintres modernes' zijn pure nostalgie geworden. De handschriftjes van Apollinaire zien er beeldig uit, lichtelijk vergeeld achter glas. Verdienstelijk hobbyisme, grappig dilettantisme.

Kijk je langduriger, dan komen de vormen, kleuren en woorden in deze beboste uithoek nabij Zwolle beslist weer tot leven. Het 'riez riez de moi' en 'ayez pitié de moi' waarmee Calligrammes besluit, de laatste woorden van het gedicht 'La jolie rousse' (de mooie roodharige, zijnde zijn echtgenote) waarin Apollinaire met recht beweert dat hij weet heeft van leven en dood, van de bitterheid en het genot van de liefde, dat hij veel heeft gezien en bepaald niet stilgezeten – dat verzoek om andere emoties dan gereserveerdheid en onverschilligheid, om lachen én medelijden kortom, dat klinkt in het Overijsselse onvermoed helder. Over een lul meer of minder hebben we het dan al lang niet meer.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden