RecensieFriedrich Hölderlin

Erudiet vlecht biograaf Safranski leven en werk van Hölderlin dooreen ★★★★☆

In zijn biografie van de Duitse dichter Friedrich Hölderlin vlecht Rüdiger Safranski leven en werk op erudiete wijze dooreen. De kern verklapt hij in het voorwoord: ‘Hölderlin wist heel goed dat hij Hölderlin was.’

Beeld Martyn F. Overweel

Ook wie weinig weet van de Duitse dichter Friedrich Hölderlin (1770-1843) kent vast het ongelooflijke verhaal over de tweede helft van zijn leven. Nadat hij als ongeneeslijk was ontslagen uit een psychiatrische kliniek woonde hij tot zijn dood, liefst 36 jaar lang, in een torenkamer te Tübingen met uitzicht op de Neckar. ‘Taalziek’ is het prachtige woord dat biograaf Rüdiger Safranski laat vallen. Liefdevolle verzorging kreeg hij van de meubelmaker die hem uit bewondering in huis had genomen. Zijn dagen bracht de dichter door met wandelingen, urenlang pianospelen, eindeloos zijn eigen werk herlezen en met schrijven (‘Ik ben niets meer, ik leef niet meer zo graag!’). Mettertijd groeide hij uit tot een bezienswaardigheid; als bezoekers vroegen om wat regels, schudde hij die ter plekke uit de mouw. Op 7 juni 1843 stierf hij. Drie dagen later, het regende en het stormde, vond de begrafenis plaats. Niemand van zijn beroemde oude vrienden en bekenden was aanwezig, maar achter de kist liepen honderd studenten. ‘Hölderlins toekomst’, schrijft zijn biograaf, ‘was kennelijk toen al begonnen.’

Historicus en filosoof Safranski, die eerder reuzen als Nietzsche, Schiller, Heidegger en Goethe biografeerde, vlecht ook nu weer leven en werk op erudiete wijze dooreen. De kern verklapt hij alvast in het voorwoord: ‘Hölderlin wist heel goed dat hij Hölderlin was.’ De dichter, overtuigd van zijn eigen talent, streefde hartstochtelijk naar literaire erkenning, maar ontbeerde wellicht de handigheid die je daarvoor nodig hebt. Zo moet hij een van de weinige tijdgenoten zijn geweest die bij een toevallige ontmoeting ten huize van Schiller de toen al wijd en zijd befaamde Goethe niet herkende en zich daarom hulde in stilzwijgen.

Tot aan zijn dood was en bleef Hölderlin een kennerstip – in kleine kring geadoreerd, bij het brede lezerspubliek onbekend. Vergeten werd hij zeker niet (Nietzsche bijvoorbeeld was een groot bewonderaar), maar rond 1900 werd hij door de dwepers rond Stefan George ‘herontdekt’. Zelfs de nationaal-socialisten gingen met hem aan de haal. In 1943 maakten ze een ‘veldbloemlezing’, die ze in een oplage van 100 duizend exemplaren naar het oostfront stuurden. Ook in de naoorlogse jaren waren er tallozen die de dichter in hun mal trachtten te persen. Ach ja, schrijft Safranski fijntjes, of de invalshoek nu geschiedfilosofisch, immanent, structuralistisch of deconstructivistisch is, bij Hölderlin valt altijd wel iets te halen. Had hij niet zelf gezegd dat zijn werk ‘vol eindeloze duiding’ zit?

Friedrich Hölderlin, circa 1815. Beeld Getty

Dat Hölderlin zijn leven zou wijden aan de letteren lag overigens niet voor de hand. De begaafde jongen groeide op in een benepen, provinciaals milieu van ambtenaren en predikanten. Zijn eigen vader stierf jong, de man met wie zijn moeder hertrouwde ook – tot Hölderlins grote verdriet. Voortaan was hij aangewezen op zijn even vrome als dominante moeder. Zij begreep niets van haar zoons poëtische inborst en wenste dat hij predikant zou worden. Heel slim hield ze zijn (niet onaanzienlijke) vaderlijk erfdeel vast, om hem aldus in de gewenste richting te duwen. Dat mislukte jammerlijk. Zodra Hölderlin in zijn studententijd in aanraking kwam met de ideeën van de Verlichting – hij vormde een ‘onzichtbare kerk’ met medestudenten Hegel en Schelling – was hij voorgoed verkocht. Om het predikantschap te ontlopen ging hij van huisleraarsbaantje naar huisleraarsbaantje. Niettemin zouden moeder en zoon volgens Safranski ‘innig verbonden’ blijven, ‘aanhankelijk en afhankelijk tegelijkertijd’ – totdat hij in 1807 in die torenkamer belandde. Voor zover bekend heeft zij hem daar, in de ruim tien jaar dat ze nog leefde, nooit opgezocht.

Gepaste aandacht besteedt Safranski aan Hölderlins liefdesleven. De dichter moet in zijn goede jaren een opmerkelijk knappe man zijn geweest, tot wie beide geslachten zich aangetrokken voelden. Trouwen wilde hij niet; dat zou zijn hoogste streven maar in de weg zitten. In zijn enige roman Hyperion (toen een relatief nieuw genre) verwerkte hij de affaire die hij had met de moeder van een van zijn pupillen.

Grondig, soms wat al te grondig, analyseert Safranski Hölderlins werk en poëtica, doordrenkt van de klassieke godenwereld. Poëzie betekende voor hem ‘leeftocht in de hoogste zin, in eenzaamheid en verbondenheid’, een onafgebroken zoektocht naar de ‘geheime wereld’ die zich erin ontvouwt. Wil je Hölderlins lyriek werkelijk doorgronden, schrijft de biograaf, dan moet je je openstellen voor haar ‘goddelijk vuur’. Het is aan de voortreffelijke vertaling van Wil Hansen te danken dat dit deze lezer af en toe lukte.

Beeld Atlas Contact

Rüdiger Safranski: Hölderlin – Biografie van een mysterieuze dichter. Uit het Duits vertaald door W. Hansen. Atlas Contact; 311 pagina’s; € 27,50.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden