Er zit elektriciteit in, een beloftevolle spanning

De roman De meeuw, uit 1943, van Sandor Márai bevat ogenschijnlijk weinig eigentijds en lijkt afstandelijk geschreven – maar wat een bloedstollende lectuur....

‘Er is geen schrijver met de naam Márai.’ Dat kreeg iemand te horen die in 1988 in Boedapest informeerde naar het werk van Márai. Officieel was het niet te krijgen en de schrale werkelijkheid was dat het toen al 40 jaar lang mondjesmaat ‘vanonder de toonbank’ werd verspreid. De in 1900 geboren ‘bourgeoisauteur’ Márai, met zijn oude idealen en waarden, was na de Tweede Wereldoorlog in het communistische Hongarije in ongenade geraakt. Hij was in 1948 vrijwillig in ballingschap gegaan, eerst in Italië, later in de Verenigde Staten. Zo was het eenvoudig hem totaal te vergeten. Ook in de rest van Europa herinnerde zich maar een enkeling de naam van de ooit zo succesvolle en zo Europese schrijver. Nadat zijn vrouw en de door hen geadopteerde zoon Janós kort na elkaar waren overleden, pleegde Márai in 1989 geheel vereenzaamd zelfmoord in zijn woonplaats San Diego.

De rest van het verhaal is bekender: een jaar nadien verscheen postuum de roman Gloed in het Hongaars, die in 1998 in het Italiaans werd vertaald. In 1999 was Hongarije gastland op de Frankfurter Buchmesse, en zoals dat zes jaar eerder van cruciale betekenis was voor de vertaling en verspreiding van de Nederlandse literatuur, zo was het ook voor de Hongaarse en zeker voor Márai. De gloedvolle aanprijzingen van de Duitse criticus Marcel Reich-Ranicki ontketenden niet voor het eerst een rage en de naam van Márai lag ineens op ieders lippen. Vanuit het niets kreeg hij een vaste plaats in de Europese canon en werd hij vergeleken met grote kosmopolitische Midden-Europese auteurs als Schnitzler en Zweig.

Zijn romans, dagboeken en memoires werden in vele talen vertaald en ook in Nederland publiceerde de Wereldbibliotheek intussen een ware Márai-bibliotheek – als ik het goed heb vormt de nu verschenen roman De meeuw daarin het negende deel.

De roman, een jaar na Gloed verschenen in 1943, midden in de Tweede Wereldoorlog, heeft onmiskenbaar het ouderwetse dat Coetzee al weer bijna tien jaar geleden licht geringschattend in het werk van Márai opmerkte. De roman heeft een toneelmatige opzet – eigenlijk vormt die een lang uitgesponnen dialoog. Hij is geserreerd geschreven (aan de oppervlakte zonder heftige emoties of voorvallen). Hij lijkt door die koelheid wat bedacht, niet midden in het leven staand. Inderdaad bevat De meeuw door de afstandelijke benadering ogenschijnlijk weinig straatrumoer of doorlichting van de (heftige) tijd.

Maar wat een zegen is dat, welk een intelligentie spreekt daaruit, en wat een bloedstollende ervaring is het lezen van De meeuw daardoor geworden. Alles valt op zijn plaats in deze roman – terwijl tegelijkertijd alles, het hele leven, uit het lood hangt. Precisie die de hoogste mate van chaos schept, dat is de grote kunst van Márai. Zoals zijn hoofdpersonen doet de lezer een greep naar de kennis van de dingen (de geschiedenis, het menselijke lot) en even heeft hij die in handen, tot alles weer vervliegt, intussen toch een residu ervan achterlatend in de geest. Zo bewerkstelligt Márai een soort heimwee in de lezer, niet zozeer naar een vervlogen tijd, alswel naar een beschaving, een humanisme dat de mens uittilt boven de horde. Die beweging bepaalt een groot deel van het oeuvre van Márai, destijds ingegeven als reactie op de totalitaire systemen (nazisme en communisme), nu een aansprekend antwoord op het massale (en vreugdeloze) individualisme. Om nog te zwijgen van het populisme dat, ofschoon vrij algemeen gedeeld, niet het idee van burgerschap kent waarover Márai spreekt.

Echt goede boeken hebben gemeen dat ze meermaals moeten worden gelezen om ze te doorgronden. De meeuw is van die orde. De roman beschrijft de ontmoeting van een ouder wordende hoge Hongaarse ambtenaar en een jonge vrouw, door de oorlog uit Finland verdreven, die hem om een verblijfsvergunning vraagt. Net voor haar binnenkomst heeft hij een belangrijke brief afgemaakt die voor het dan nog niet bezette Hongarije van beslissende invloed zou kunnen zijn. Tot zijn verbijstering lijkt de vrouw precies op de vrouw met wie hij ooit zijn leven had willen delen, maar die om voor hem onduidelijke redenen zelfmoord pleegde.

Die vrouw lijkt weergekeerd en daarmee lijkt zijn lot in het geding. Is hij een speelbal van het lot? Er ontstaat een gesprek dat uiteindelijk een dag lang zal duren en dat zich ontrolt zoals in een Griekse tragedie, wat artificieel, zoals ik in eerste instantie dacht. Want alleen wanneer de goden door de mensen spreken zijn ze tot zulk een taal, zulk een inzicht, zulk een fijnzinnige ontleding van de geschiedenis en het menselijke bedrijf in staat.

Maar dan, als zij langzaam in elkaars verleden doordringen en het besef doordringt dat hun ontmoeting allerminst toevallig is, dan grijpt niet alleen het leven de beide hoofdpersonen bij de kladden, ook de lezer wordt gegrepen. Als het leven de mensen pakt in de grote omstandigheden die wij kennen, in liefde of oorlog, in het oog van de dood, zo suggereert de schrijver, dan is er persoonlijke moed nodig. Het enige wat rest. In zulke omstandigheden is de mens eenzaam, kan hij geen schone handen houden. Márai’s personages leren die existentiële eenzaamheid te dragen in dat statige en wat sombere bourgeoisappartement van de ambtenaar.

Dat is een aangrijpende en louterende ervaring. Er zit elektriciteit in die ruimte, een schitterende beloftevolle spanning, en zolang de lezer blijft lezen is die er.Henk Pröpper

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden