Recensie Persgeschiedenis

Er staat veel leerzaams in ‘De krant – Een cultuurgeschiedenis’. Maar het blijft te veel een handboek ★★★☆☆

Altijd geleerd dat de Opregte Haarlemsche Courant (1656) de oudste krant ter wereld was, maar dat is dus niet zo. De eerste Nederlandse krant verscheen al in 1618, de Courante uyt Italien, Duytslandt, &c. en werd gemaakt door een immigrant, de Duitser Casper van Hilten. De eerste Europese krant verscheen in 1605, in Straatburg. Toch waren wij van de Republiek er snel bij met gedrukte kranten; we werden in de 17de eeuw het nieuwscentrum van Europa. Vier eeuwen lang zouden we geen achterloper zijn in de constante vernieuwing van de media.

Beeld Tzenko

Er staat veel leerzaams in De krant  Een cultuurgeschiedenis, een bundel onder redactie van Huub Wijfjes, hoogleraar mediageschiedenis en universitair hoofddocent journalistiek, en zijn jongere collega-docent Frank Harbers. Wat een ongelooflijke stap voorwaarts was het toch, de krant. Ineens kon iedereen die kon lezen, niet alleen de belanghebbende elite, de politieke en lokale gebeurtenissen volgen, voor een paar stuivers. De persvrijheid werd in de grondwet verankerd. De pers werd een te duchten macht, een bron van kennis en opinies, een spreekbuis voor de zuilen en een motor achter de emancipatie van bevolkingsgroepen. Net zo goed als de overgang naar digitaal en de invloed van sociale media, waar we nog middenin zitten, een enorme historische stap zal blijken te zijn.

De krant - Een cultuurgeschiedenis

Ook kleinere feiten zijn interessant. Lange tijd waren ‘courantiers’ – uitgevers annex hoofdredacteuren – deftig, net zoals schrijvers die er niet van hoefden te leven. ‘Rond broodschrijverij bleef de suggestie van sociale mislukking hangen’, schrijft Remieg Aerts. De vader van de schrijver Herman Heijermans had rond 1850 als verslaggever bij de NRC een jaarsalaris van 500 gulden, een hongerloon. Maar Busken Huet verdiende als hoofdredacteur van de Java-Bode, gezonden door de Nederlandse regering, 12 duizend gulden per jaar, meer dan een minister. De status van het beroep van journalist, en de opleidingseisen, zouden langzaam stijgen.

Het hoofdstuk van Aerts, over de krant in de 19de eeuw, is behalve inhoudelijk interessant ook prettig geschreven, net als de hoofdstukken van Esther Baakman en Michiel van Groesen (17de eeuw) en het hoofdstuk over de krant in de Tweede Wereldoorlog van Mariëtte Wolf en Frank van Vree. Een helder en soepel verteld verhaal, goed onderbouwd, in de traditie van de beste non-fictie. De andere hoofdstukken zijn in een wat houterige academische stijl geschreven. Niet per se moeilijk, maar het wemelt van lijdende vormen, ‘men’-constructies, en van ‘kenmerken’, ‘sleutelfactoren’, ‘herdefiniëring’, ‘een pluriform samenstel’, ‘dragers van het vernieuwingsproces’ enzovoort. Zelfs de hoofdstukken waar de naam van Huub Wijfjes – die toch leesbare boeken heeft geschreven – boven staat, lijden hieraan. Het maakt de inhoud niet minder boeiend. Toch is het een beetje of je tentamen hebt.

Misschien komt het door de opzet van het boek, dat een handboek is, prestigieus en schitterend geïllustreerd. De bedoeling is dat het een serie wordt, met volgende delen over radio, televisie en nieuwe media. Een groots project, dat vermoedelijk veel lezers wil bereiken: de in media geïnteresseerde non-fictielezer én al die studenten aan opleidingen journalistiek of ‘iets met media’-studies. Voor die studenten is dit boek, dat echt een cultuurgeschiedenis is, waarin je ziet hoe een massamedium zich ontwikkelt in een tijd en cultuur, zeer geschikt. Een strengere eindredactie had het boek ook voor anderen aantrekkelijker gemaakt.

De inleiding, van samenstellers Wijfjes en Harbers, gaat vooral over de wetenschappelijke ontwikkeling van hun eigen vak, persgeschiedenis, perswetenschap. Interessant, maar dan vooral voor eigen collega’s en studenten. Een inleiding op het boek dat we gaan lezen is het eigenlijk niet.

Voor wie zitvlees heeft, is veel in dit boek de moeite waard. De geschiedenis van de Nederlandse pers in oorlogstijd – het hoofdstuk van Niod-directeur Van Vree en mediahistoricus Wolf – is onthutsend. De Nederlandse pers komt vrijwel meteen onder censuur van de bezetter te staan en ‘leek zich massaal bij de nieuwe situatie neergelegd, te hebben’, schrijven Wolf en Van Vree. Zij citeren pershistoricus René Vos, die concludeerde dat ‘nagenoeg alle Nederlandse journalisten na 15 mei op hun post gebleven zijn’. Wel vertrokken redacteuren onder dwang, omdat ze Joods waren.

Er waren uitzonderingen. Het Friesch Dagblad, dat dapper doorging met commentaren tegen de nazi’s, besloot in januari 1941 te stoppen. Ook de Volkskrant, toen dagblad van de katholieke vakbeweging, verdween dat jaar – een actie van abonnees, redacteuren en drukkers. De rest schipperde, schikte zich of collaboreerde ronduit, zoals De Telegraaf. Na de bevrijding beloofde de regering een keiharde ‘perszuivering’, maar die viel uiteindelijk nogal mee. De Telegraaf moest boeten, maar mocht in 1949 opnieuw uitkomen.

Gelukkig waren er bloeiende verzetskranten, zoals Het Parool, Trouw en Vrij Nederland, die na de oorlog bovengronds gingen, een sfeer van vrijheid en eigenwijsheid bleven uitstralen en groot werden. De explosie van schrijftalent en schrijfplezier bij Het Parool, met Henri Knap, Simon Carmiggelt, Willem Wittkampf, Wim Hora Adema en Jeanne Roos, stemt nog altijd vrolijk. Het was verzet ná de oorlog, tegen dorheid, benardheid en volgzaamheid.

Huub Wijfjes & Frank Harbers (red.): De krant – Een cultuurgeschiedenis. Boom; 368 pagina’s; € 34,90.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden