BoekrecensieSuikerbastaard

Er hapert veel in Suikerbastaard van Jaap Scholten ★★★☆☆

Wie weet er nog van de succesvolle Nederlandse suikerbusiness in Ethiopië? Jaap Scholten maakt fictie van een indrukwekkende geschiedenis, maar lijkt zijn materiaal niet altijd de baas.

Beeld Max Kisman

13 juli 1985. Een zestien uur durend concert met ’s werelds grootste sterren wordt wereldwijd uitgezonden. De opbrengst van Live Aid overtreft alle verwachtingen: 150 miljoen pond voor Ethiopië. Toch blijkt het – alle goede bedoelingen ten spijt – achteraf wat minder fraai: een deel van het bij elkaar gezongen geld komt terecht bij leider Mengistu Haile Mariam, die het land een communistisch regime heeft opgelegd. Het gevolg: een hongersnood die wereldnieuws is. De dictator spendeerde het Live Aid-geld aan wapens om opstanden mee te onderdrukken.

Even eerlijk: weet u meer van Ethiopië dan bovenstaande? Mengistu, hongersnood, Live Aid – dat is het wel zo’n beetje. Wie herinnert zich nog dat Nederland in de jaren vijftig en zestig intensieve handelsbetrekkingen onderhield met het land? Dat de Handelsvereniging Amsterdam (HVA) er drie grote suikerfabrieken stichtte? De succesvolle suikerbusiness in Ethiopië werd gezien als een goede vervanging voor de verloren theeplantages in Nederlands-Indië. De honderden Nederlandse mannen die tussen 1952 en 1974 in Ethiopië werkten, leefden er als kolonialen, met bedienden, dure auto’s en vrouwen.

Vergeten periode

Suikerbastaard van schrijver en beroepsreiziger Jaap Scholten (1963) gaat over deze bijzondere, haast vergeten periode. Zoals vaker bij Scholten is er een persoonlijk lijntje. Zijn familie van moederskant bezat de Koninklijke Machinefabriek Gebr. Stork & Co te Hengelo. Scholtens grootvader leverde de machines voor de suikerfabrieken van de HVA in Ethiopië en stuurde tientallen werknemers mee om ze in elkaar te zetten. Nuchtere, jonge Twentenaren die in de Abessinische woestijn een suikerfabriek uit de grond stampen – een prachtig gegeven.

Scholten maakt er fictie van: de Stork-familie wordt Dupont. Zijn alter ego heet Frederik en gaat op zoek naar een mogelijk familielid in Ethiopië. Ene Dawit zou de buitenechtelijke zoon zijn van zijn opa. Frederik kan het zich niet voorstellen: ‘Ik wens dat opa’s naam gezuiverd wordt, daarom wil ik die rastafari zoeken, deze Dawit, en genetisch materiaal verzamelen, goedschiks of kwaadschiks.’ Frederik wordt vergezeld door zijn jeugdliefde Mila. Zij zoekt haar vader, een ‘Dupont-jongen’ die voor Frederiks opa in Ethiopië werkte en nooit terugkeerde naar zijn dochter in Nederland.

Het is veel: het toen en nu van Ethiopië, van alles over Haile Selassie, de keizer die door Mengistu werd afgezet, over de rastafari en het stichten van de suikerfabrieken, het reilen en zeilen aldaar, materiaal uit het HVA-archief, de Abessinië-verslagen van de Stork-jongens, de brieven naar het thuisfront van een van hen, de familiegeschiedenissen, de zoektocht, de indrukken van Scholten zelf, die twee keer naar Ethiopië afreisde, én alles wat hij er als romancier nog bij heeft verzonnen.

Om het behapbaar te houden deelt Scholten het boek op in drie delen. Dat is funest voor de plot. In deel één is de briesend aangekondigde ‘Dawit-kwestie’ al vredig opgelost. In deel twee blijkt al vrij snel dat Mila’s vader helemaal geen egoïstische kinderverlater is, maar een goedhartige tukker. Weg spanning. En dan moet je nog een heel deel met Frederik en Mila mee, die geen aangename reisgenoten zijn. Frederik loopt almaar te jeremiëren; over de ‘kleinburgerlijke bemoeizucht’ van mensen die je ‘fijne avond’ wensen, over het feit dat in Nederland alleen nog maar ‘glimmende goochelaarssmokings’ te krijgen zijn, over de onzin op televisie, over uitroeptekens in sms’jes, over het gebruik van smileys, over Facebook, over rolkoffertjes – enzovoort. Als er even niets te klagen valt, zit hij te geilen op Mila, die wordt afgeschilderd als een infantiel modepoppetje met nymfomane trekjes en irritante maniertjes. En waarom moet elke outfit die zij draagt uitvoerig beschreven worden? Het is alsof Scholten niet wíl dat zij een interessant karakter wordt.

Haperingen

Er hapert meer. De veelbelovende literaire reflecties die het begin van de roman kenmerken – over de teloorgang van een familie-imperium, over goed vaderschap, over het gevoel overbodig te zijn – verdampen in Ethiopië. Er zit geen duidelijke lijn in de beschrijving van het land, kriskras springt Scholten door de tijd. Inleidende informatie om bepaalde politieke ontwikkelingen te kunnen begrijpen wordt niet gegeven; bij de lezer wordt veel voorkennis verondersteld. Geschiedenislesjes worden er soms wat obligaat in gefietst, door een gidsje te citeren of door een oud mannetje op te voeren dat er eens goed voor gaat zitten: ‘Het is niet de bedoeling dat we hem onderbreken.’ Het deel over het pioniersleven van Dupont-jongen Marinus loopt stroef: ‘Hollenberg had de leiding over het onderkelderen van het fundament voor de molenbatterij.’ ‘Klumpers en Koeslag kunnen heel goed elektrisch en autogeen lassen.’ ‘Marinus had de Ricardo’s in de olie gezet en opgestart.’ Wie, wat, hoe? Uitleg krijgen we niet.

Scholten heeft een grandioos verhaal te vertellen, zoveel is duidelijk. Maar te vaak krijg je het gevoel dat de schrijver zijn indrukwekkende materiaal niet de baas is. Hij had moeten ingrijpen: strenger selecteren, een scherpere plotlijn trekken, darlings killen. Suikerbastaard is een groots en ambitieus project – uitgeverij Pluim en AFdH bundelden niet voor niets hun krachten – dat toch niet helemaal goed uitpakt.

Beeld Uitgeverij Pluim en AFdH Uitgevers

Jaap Scholten: Suikerbastaard. Uitgeverij Pluim & AFdH Uitgevers; 571 pagina’s; € 26,50.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden