recensie De tuinjungle: tuinieren om de wereld te redden

Enthousiast pleidooi voor milieubewust tuinieren ★★★★☆

Een betere wereld begint in eigen tuin, schrijft de Britse bioloog Dave Goulson. Maar dan moet je het wel goed doen. Met veel humor en enthousiasme wijdt hij zijn lezers in.

Beeld Tzenko

‘Wie zijn kleinkinderen echt een gezonde wereld wil nalaten, gaat nu de tuin in en slaat aan het spitten.’ Zo eindigt de Britse bioloog en natuurschrijver Dave Goulson De tuinjungle  Tuinieren om de wereld te redden. Een ondubbelzinnige conclusie, maar aan die slotzin is een heel boek voorafgegaan waarin Goulson uitlegt hoe tuinieren zoals de meeste Britten het doen, desastreus is voor natuur en klimaat. Het hangt er dus maar vanaf hoe je tuiniert.

Dave Goulson verwierf faam als bijenprofessor, als oprichter van de Bumblebee Conservation Trust en vooral met zijn boeken. In zijn eerste boek, A Sting in a Tale (2013), in het Nederlands vertaald als Een verhaal met een angel, deelt Goulson zijn fenomenale kennis van hommels en andere bijen. Zijn twee volgende boeken, Geroezemoes in het gras en De vlucht van de hommel deden daar in aanstekelijkheid nauwelijks voor onder. In zijn vierde boek komt hij uit in zijn eigen tuin in Sussex. Dat is het domein waar hij de moedeloosheid die hem als milieubeschermer soms overvalt, kan bestrijden: ‘Het is zo klein dat het overzichtelijk is en daar kan ik iets betekenen.’

Beeld Atlas Contact

Het is weer lachen en huilen geblazen in De tuinjungle. Goulson beschikt over het zeldzame talent uitvoerig verslag te doen van de ecologische catastrofe die zich binnen en buiten Engeland afspeelt en tegelijkertijd zijn goede humeur en gevoel voor humor – althans op papier – te bewaren. Dat resulteert in hilarische beschrijvingen van bijvoorbeeld de Britse obsessie met het gladgeschoren gazon. Die heeft geleid tot het ontstaan van een ‘gazononderhoudsindustrie’ die de Nederlandse lezer onwillekeurig doet denken aan tuinadviseurs Jacobse & Van Es (Van Kooten & De Bie), die met ‘neutronenkorrels’ scheurgras bestreden. 

Het bestaat allemaal echt. Met ‘gazonrenovatieprogramma’s’, veel gif, veel tijd en veel geld ontstaat uiteindelijk een maagdelijk ‘Wimbledongazon’ waar ieder leven zorgvuldig is uitgeramd en -gespoten. Het veel goedkopere alternatief, aldus Goulson: gewoon zalig niets doen en af en toe maaien. Maar ja, zo weet hij ook: veel mensen vinden nu eenmaal dat gras kort hoort te zijn. En dan is het in de Verenigde Staten nog een graadje erger. Daar is in veel steden de maximale graslengte vastgelegd in plaatselijke verordeningen. Wie die lengte overschrijdt in zijn tuin, riskeert een boete. Het getuigt van ironie, schrijft Goulson, dat je in ‘the land of the free’, waar je legaal een semiautomatisch wapen kunt kopen, beboet kunt worden voor te lang gras.

Tuincentra

Goulson richt zijn pijlen vooral op de tuincentra. Die blijven hardnekkig exotische planten verkopen, die vaak elders zijn gekweekt in kassen, met kunstmest, insecticiden en andere chemische middelen. Zelfs de nectar en het stuifmeel van planten die als ‘bijvriendelijk’ worden verkocht, bleken – zo toonde Goulsons onderzoeksgroep aan – vol te zitten met insecticiden die juist de insecten vergiftigen die de goedbedoelende tuiniers willen helpen. En ze blijven compost verkopen op basis van turf, waarvoor in grote delen van Europa veen wordt afgegraven.

De tuinjungle staat vol met dergelijke deprimerende informatie. Zelfs voor wie enigszins bekend is met de materie, is het schokkend te lezen over de stapeling van chemische middelen die in de industriële landbouw worden gebruikt en de gevolgen daarvan voor de natuur. Gelukkig roept Goulson zichzelf af en toe tot de orde als hij naar eigen zeggen ‘te drammerig’ dreigt te worden. Dan keren we terug naar zijn tuin, waar hij een brede variëteit van appelbomen heeft, een bloemenweide, composthopen, een vijver en uiteraard een enorme hoeveelheid dieren en planten. Hij bezingt de lof van oorwurmen, die per jaar in boomgaarden net zoveel bladluizen eten als er worden gedood met drie keer spuiten met bestrijdingsmiddelen. Helaas worden ook oorwurmen in professionele fruitboomgaarden het slachtoffer van insecticiden, met als gevolg dat het jaar erop nog meer bladluizen bestreden moeten worden.

Pleidooi voor de volkstuin

Deels gebruikt Goulson zijn boeken als vehikel om zijn kennis van insecten en andere beestjes te etaleren. Hij diept een duizelingwekkende hoeveelheid weetjes op over (regen)wormen (‘misschien nog belangrijker voor het welzijn van de mens dan bijen’), oorlogszuchtige mieren, motten en bladluizen (‘ondergewaardeerde insecten’). En net op het moment dat je denkt: gaat dit nog wel over tuinieren, keert hij terug naar het hoofdthema. Naar de volkstuin, welteverstaan. Verrassend genoeg leveren volkstuinen per hectare veel meer voedsel op dan intensief beheerde akkers, zo bleek uit een onderzoek op basis van historische gegevens. En dus eindigt Goulson zijn boek met een pleidooi om landbouwgronden rond steden om te zetten in volkstuinen. Back to the land, iedereen een volkstuin! ‘Elke nieuwe volkstuin op voormalige landbouwgrond vergroot de voedselproductie, vergroot de opname van koolstof in de bodem, vergroot de biodiversiteit, vermindert het pesticidengebruik en verbetert de gezondheid van vergrijzende volkstuinbezitters.’

Dat lijken misschien vreemde ideeën, maar niet als Goulson ze opschrijft. Je moet wel heel cynisch zijn – of ecomodernist of pesticidenverkoper – wil je tegen zoveel enthousiasme, kennis en overtuigingskracht zijn bestand.

Dave Goulson: De tuinjungle – Tuinieren om de wereld te redden

Uit het Engels vertaald door Nico Groen. Atlas Contact; 301 pagina’s; € 24,99.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden