En plotseling ben je iets: EEN RAPPER

Hiphop heeft allochtoon Europa veroverd. Het geeft een stem, een identiteit. Aflevering 2 van een korte serie over immigranten- kinderen, hiphop en haat....

GEEN KLOTE is er veranderd' Kool Shen, rapper bij de roemruchte Parijse hiphopgroep NTM (Nique ta mère, neuk je moeder) buigt zich voorover. 'Geen klote. We wilden zoveel. Maar je knalt met je kop tegen een muur. Waarom heb ik al die interviews gegeven? Als ik wakker word en ik kijk naar buiten, dan is alles nog precies hetzelfde.'

'Buiten' is St. Denis, een noordelijke voorstad van Parijs, volgestouwd met torenflats en immigranten. Het maakt deel uit van de banlieue, de wijken die de stad omringen. Slaapsteden vol beton waar de verveelde jeugd regeert. Het geweld neemt er extreme vormen aan, schreef het Franse dagblad Libération eind vorig jaar. 'In bepaalde wijken woedt een ware guerrilla-oorlog.'

Hier, dacht Kool Shen, zou halverwege de jaren negentig een revolutie beginnen. Niet de linkse studenten maar de kansloze immigrantenkinderen zouden de gevestigde orde omverwerpen. Opgefokt door agressieve hiphop en dope leverden ze talloze veldslagen met de politie, die van moord en racisme werd beticht. 'We geloofden in een herhaling van 1968. Putain.'

NTM verzorgde de soundtrack. Nique la Police, rapten Kool Shen en zijn Antilliaanse maatje Joey Starr woedend. Fuck de politie.

De fans bij de concerten zongen Nique la police uit volle borst mee: Police machine matrice, d'écervelés mandatés par la justice, sur laquelle je pisse. Nique la Police! (Politie, gietvorm van de hersenlozen die onder bevel staan van de justitie waarop ik schijt. Fuck de politie!).

Tot hun eigen verbazing werden de rappers na een concert gearresteerd. Zes maanden cel was de eis van de rechtbank, een unicum in een land dat vrijheid van meningsuiting hoog in het vaandel heeft. In hoger beroep kregen ze eind juni twee maanden voorwaardelijk, en een geldboete.

Natuurlijk werd de cd een hit. Conservatief Frankrijk kromp ineen. Moederneukers op de radio! Criminele immigranten in de toptien!

Sommigen beschouwen hiphop nu als staatsgevaarlijk. Het extreem-rechtse Front National heeft in de steden waar het aan de macht is alles wat naar rap of hiphop ruikt uit de bibliotheken gebannen. 'We moeten de orde herstellen in onze cultuur', verklaarde onlangs Catherine Mégret, FN-burgemeester van Vitrolles. 'Want de cultuur van graffiti en rap, dat is de onze niet. Die is stompzinnig.'

De hiphoprevolutie is mislukt. De strijdliederen waren goed, de stenen hard, maar de banlieue zijn nog altijd verloren steden. De politici, de journalisten en de sociologen kwamen na de rellen even kijken wat er loos was. Er werd een film gemaakt: La Haine, over de haat in de voorsteden. Er kwamen een paar jeugdcentra bij. Maar de wanhoop bleef.

De sfeer in de banlieue is nu harder, gevaarlijker en grimmiger, zegt Kool Shen. Het is ieder voor zich. 'Chacun son mafia, chacun sa miffla', rapt hij op de laatste single van NTM. Ieder zijn maffia, ieder zijn familie. Dat is de mentaliteitsverandering in de voorsteden. 'Het enige wat ik nu nog predik, is dat je jezelf en je familie moet verdedigen. We maken elkaar in St. Denis tegenwoordig af om het minste geringste.' De rode baseballpet gaat af en neemt de schaduw weg van het bleke, ingevallen bekkie.

In St. Denis ruikt het naar uitlaatgassen. Een lang lint auto's raast over de uitvalswegen die de wijk doorkruisen. Aan de horizon niets dan flats; merkwaardig smalle bouwsels die lukraak lijken neergezet. Geen muur is vrij van graffiti; Nique la police is een populaire spreuk.

De wind schuurt langs het beton. Deze woonkazernes zijn de ergste niet, zegt Sear. Hij is geboren in La Courneuve, onderdeel van St. Denis, en leeft er nog steeds. Zijn appartement is op de dertiende verdieping, wijst hij. Eens in de week valt er een schot op zijn galerij. 'In de zomer, als de warmte de bewoners kriegel maakt, gebeurt dat vaker.'

Sear is zijn hiphopnaam. Zijn echte naam is Stephan Begoc, zoon van een Algerijnse vader en een Servische moeder. Een ongemakkelijk huwelijk; zoonlief hing liever rond op straat met zijn hiphopvrienden.

Sear valt nauwelijks op in het straatbeeld. Met zijn grote lijf sjokt hij licht gebogen langs de woontorens, door de motregen. Het betonblok rechts, met de kapotte ruiten, heet quatre milles, vierduizend. Daarnaast priemt trois milles de lucht in. De woonkazernes zijn genoemd naar het aantal immigranten dat de gemeente erin kwijt kon. 'Zó trots waren de bouwers', zegt Sear. 'Hoe meer mensen weggewerkt, hoe beter.'

Parijs puilde uit en bouwde hier in de jaren zestig, over de sloppenwijken heen, een nieuwe stad. 'Er zat geen enkel sociaal idee achter', zegt Sear. 'Bouwen om te bouwen, dat was het. De bâtiments zijn zo smal omdat er dan maar één hijskraan nodig was. Dat kostte minder.'

Net als al die andere migrantenkinderen had Sear zichzelf beloofd de banlieue te ontstijgen. Ergens zijn de grootse plannen blijven steken; het hiphoptijdschrift Get Busy dat hem rijkdom en faam had moeten brengen, sterft een stille dood.

Het laat hem koud. 'Vroeger was ik een vechter, nu maakt het me alleen maar moedeloos. De jeugd heeft loden schoenen aan. Hoe hard we ook lopen, we komen nooit ver. De jeugd is moe, wil niet meer. En de buitenwereld wil niet zien wat hier gebeurt: dat een deel van het land niet meer leeft volgens de geldende regels, normen en waarden.'

De jongeren die vroeger stenen gooiden naar de politie, vechten nu vooral tegen elkaar. Chacun son mafia. In kleine groepjes trekken ze door de wijk, schoppend tegen alles wat ze tegenkomen. Zonder onderscheid naar ras: Algerijnen vechten met Fransen, Afrikanen met Algerijnen, Fransen met Afrikanen.

Scholen weten nauwelijks meer wat te doen tegen het geweld. Regelmatig worden de bendevetes op het schoolplein uitgevochten. Steeds vaker en steeds zwaarder bewapend doet de oproerpolitie haar ronde. In sommige wijken komt al geen politie meer.

De motregen zet door en maakt Sears witte trainingspak grauw. Hij stopt bij een bushokje, om er te schuilen. Meteen stapt een vrouw naar buiten. Liever in de regen staan, dan naast dat tuig.

'Alles wat jong is en uit de buitenwijken komt, is verdacht', zegt Sear. 'We worden slechts geassocieerd met drugs en geweld. Rovers zijn we. Dat we ambities hebben, wil niemand zien. Dat we intelligent zijn, wil niemand zien. Ze zijn vooral bang voor ons, en de politiek maakt hen alleen maar angstiger.'

Verder lopen is niet verstandig, zegt hij twintig minuten later. In de bus terug is Sear een tijd stil. 'Binnen vijf jaar gaat het mis', mompelt hij dan. 'Binnen vijf jaar komt de explosie. Soms moet je alles afbranden om opnieuw te beginnen.'

Het pessimisme van Kool Shen en Sear is begrijpelijk. De romantische notie dat muziek, net als in de jaren zestig, de maatschappij zou kunnen veranderen en de jeugd zou kunnen mobiliseren tegen het establishment, is niet uitgekomen. Dat is niet verwonderlijk, zegt Philippe Pierre-Adolphe, auteur van Rap ta France, hét boek over Franse hiphop. 'De situatie in Frankrijk is te vergelijken met die van de jaren dertig. Je ziet dezelfde economische malaise en dezelfde xenofobie. Maar het verschil met de jaren dertig, en ook met de jaren zestig, is dat de jonge migranten absoluut niet links zijn. Volgens de marxistische dialectiek zijn zij de verworpenen der aarde. De Noord-Afrikanen zijn de joden van nu. Maar elk politiek besef ontbreekt.'

In politieke zin heeft de hiphop weinig voor elkaar gekregen. Maar in sociaal en cultureel opzicht is er wel degelijk een Franse raprevolutie gaande. Parijs is hiphophoofdstad van Europa. Artiesten als NTM, Assasin en MC Solaar zijn stuk voor stuk banlieue-miljonairs. Over de hele wereld zijn miljoenen van hun cd's verkocht. In de stad bepaalt hiphop het modebeeld. Elke platenzaak heeft een aparte bak 'Hiphop Français'. Wekelijks komen daar nieuwe groepen bij.

Hiphop heeft de kansarme migrantenkinderen op de kaart gezet, hun een mogelijkheid gegeven zich te uiten en te ontwikkelen. Dankzij hiphop hebben zij zich geëmancipeerd, hebben ze een eigen stem, eigen helden en een eigen identiteit. Trots praten ze over zichzelf als 'Afro-Europeanen'. Hun ouders waren nog immigrés.

In zijn boek laat Pierre-Adolphe tientallen succesvolle hiphoppers aan het woord. Zij vertellen hoe ze elkaar in 1976 vonden in de club L'Émerande, gerund door ex-prostituée Emma, en voornamelijk bezocht door zwarte Fransen. Tot dan toe hadden zij vooral langs elkaar heen geleefd. De muziek bracht ze samen.

Begin jaren tachtig begonnen deze jonge Parijzenaars zich voor hiphop te interesseren. Ze keken naar Amerikaanse hiphopfilms en luisterden naar Amerikaanse rap. Van de teksten begrepen ze weinig. Maar de beelden, de dreun en de coole negers uit de getto's, met hun boodschap van zwart bewustzijn, fascineerden mateloos.

'De migrantenkinderen wilden de cultuur van hun ouders, noch die van de Fransen. De Amerikaanse hiphop sprak hun erg aan. Daaruit hebben zij hun eigen autonome cultuur ontwikkeld, die van de banlieue', zegt socioloog Christian Meunier, die voor de Universiteit van St. Denis onderzoek deed naar hiphop en rap in de Parijse voorsteden.

Hiphop maken is eenvoudig. Twee platenspelers, een microfoon en een paar spuitbussen zijn genoeg om jezelf naamsbekendheid te geven.

Verder was het een kwestie van inventiviteit. In 1985 verscheen de eerste Franse rapplaat. Het jaar daarop veranderde een lege fabriek bij Porte de la Chapelle, het eindstation van metrolijn 12 in Paris-Nord, in een vrijplaats voor hiphoppers, die er platen draaiden, blowden, dansten en de verre omgeving verlevendigden met hun graffiti. Het was toen allemaal nog heel onschuldig. Zelfs op de Champs Elysées mocht van de politie worden gedanst.

Pas begin jaren negentig gingen de jongens in het Frans rappen. Niet omdat ze subversief wilden zijn, maar omdat hun Engels te beroerd was. 'De eerste jongens pakten de Libération en gingen artikelen voorlezen op een hiphopbeat, gewoon om de cadans te pakken te krijgen', zegt de socioloog Meunier.

Een hele nieuwe wereld ging voor de jongeren open. Ze rapten over wat zich in de banlieue afspeelde. In het begin stonden de teksten vol clichés. Maar allengs nam de creativiteit toe. 'Eindelijk konden ze zich uitdrukken', vertelt schrijver Pierre-Adolphe. 'Ze gingen tekeer alsof ze voor het eerst een pen oppakten, alsof ze het gesproken woord voor het eerst ontdekten. Ze hebben een totaal eigen taal ontwikkeld, vol argot en zelfs Arabische woorden.'

Uit alle hoeken en gaten van de banlieue kwamen rappers tevoorschijn. Jongens en meisjes die tot dan toe waren uitgelachen om hun lompe kledij en rare jargon, outcasts. Met hiphop konden ze beroemd worden, in elk geval in hun eigen quartier. 'Nooit stelde je iets voor', zegt Kool Shen. 'En dan, plotseling, ben je iets: een rapper. Ik denk dat de grote belangstelling voor hiphop onder de jongeren ermee te maken had dat ze binnen hun eigen microkosmos respect kregen.'

De media verbaasden zich over de inventiviteit die de rappers tentoonspreidden. De cryptische teksten van MC Solaar, een in Senegal geboren zoon van Tsjadische ouders, worden al literatuur genoemd. Solaar wordt 'de Franse Shakespeare' genoemd. De teksten van NTM werden in het weekblad Le Nouvel Observateur vergeleken met die van de chansonnier George Brassens.

Kool Shen glundert als hij het tijdschrift ziet. 'Dat is een groot compliment. We zeggen dezelfde dingen. We zingen over de vrijheid. Alleen zijn wij wat minder subtiel dan Brassens, ha ha. Dat heeft te maken met waar we vandaan komen.'

Ook filmers zagen het potentieel van de banlieue en de hiphop. Mathieu Kassovitz maakte in 1994 La Haine, de veelgeprezen film over drie banlieuevrienden, een Afrikaan, een jood en een Arabier, en de nasleep van rellen in de voorsteden tegen de achtergrond van geladen hiphopmuziek.

Acteur Hubert Kunde was de uitgelezen kandidaat om de Afrikaan te spelen. Zijn ouders kwamen uit Benin, hij groeide op in de zuidelijke banlieue.

'De film geeft een uitstekend beeld van de situatie', zegt hij in de keuken van zijn flat in Villabe, een uur buiten het centrum van Parijs. 'La Haine is opgenomen in Chantelou de Vigne. Ik ben een jaar na de opnamen weer eens teruggeweest om te kijken hoe het er nu uitziet. Het is er nog veel erger geworden. Er is niets. 's Avonds is het een spookstad, zonder mensen op straat, zonder leven. Alleen gebouwen waar ze mensen in proppen, steeds meer en meer. Het leven in de banlieue is heel deterministisch. De top van een basaal niveau is het hoogste dat je kunt bereiken.'

In La Haine komt twee keer een scène voor van iemand die van een torenflat springt en de verdiepingen langs ziet komen. Hij telt de etages: 10, 9, 8... 'Jusqu'à ici tout va bien', zegt een stem. 'Tot hier gaat alles goed.' De banlieue, luidde de boodschap van La Haine, is een tijdbom.

Uren duurt de reis naar Grigny. De trein passeert wijken waaruit alle kleur is weggetrokken, dorpjes die door de stad zijn opgeslokt. Op weg naar de volgende suburbaine ring met flats. Eindelijk houdt de trein halt in de beruchte voorstad aan de zuidkant van Parijs. Grigny-centraal.

In het nabijgelegen winkelcentrum zoekt een groepje jongeren ruzie met de bewaker van de supermarkt. Ze mogen er niet in. Het zijn allemaal migrantenkinderen: jongens van een jaar of zeventien uit Noord- en zwart Afrika. Allemaal hiphoppers, verzopen in wijde broeken en dito jacks.

Het winkelcentrum doet denken aan shopping malls in Zuid-Afrikaanse townships, een halfslachtige poging om de zwarte inwoners ook iets van de kapitalistische verworvenheden te laten proeven. Ook in Grigny is dat jammerlijk mislukt. Het is koud, vochtig en leeg in de betonnen ruimte. De winkels zijn van tweede garnituur.

Vier van de zes jongens zeggen in een rapgroep te spelen. Alias (17) en Nugs (17) vormen Détention. Nefast (16) en Dox (15) zitten in Facecrusher. Ze kennen de retoriek. 'We rappen om ons uit te drukken', roept Alias. 'Rap is de identiteit van de straat, van de jeugd. We rappen over het leven in Grigny. Het leven is zwaar hier, man, met politie, racisme, geldgebrek. De politie komt hier steeds langs, en steeds moeten ze je identiteitspapieren zien.' De 15-jarige Malinees Dox over zijn teksten: 'Eerst komt de woede, dan seks en geld.' De woede waartegen? 'Tegen de maatschappij die niets voor ons doet.'

NTM vinden ze maar zozo. De Amerikaanse gangsterhiphop heeft de voorkeur. 'Lekker gewelddadig.' Een Marokkaans opdondertje voegt zich bij het gezelschap. Hij houdt een scheermesje bijna onzichtbaar tussen zijn wijs- en middelvinger. Half grappend strijkt hij ermee langs de hals van Nugs.

Er komen meer scheermesjes tevoorschijn, waarmee half grappend langs halzen wordt gestreken. Een Algerijn haalt lachend een groot mes tevoorschijn. Geintje. Zijn maat grijpt de verslaggeversblocnote en rent ermee weg. Even die buitenlander zieken. Geintje.

Een zwerfster loopt luid schreeuwend door het winkelcentrum. De jongens jouwen haar uit. Een pitbull-terriër probeert het geschreeuw te overstemmen. Gekte. 'Ja, er zijn veel pitbulls hier', lacht Alias. 'In het weekend worden er pitbullgevechten gehouden in de bossen en in de garages. En elke maand wanneer er weer iemand gearresteerd is, gaan we vechten met de politie. Dan gaan we naar het hoofdbureau, stenen gooien. Rap en geweld horen bij elkaar man. En meufs (meiden) ook.'

De nieuwe generatie hiphoppers staat klaar om de boel af te branden. Zonder idealen, zonder ideeën.

'We zitten in de situatie dat jongeren zich gedragen alsof ze in een film spelen', zegt socioloog Christian Meunier later in het universiteitsgebouw van St. Denis. 'Ik ben er niet zeker van dat ze het onderscheid tussen fantasie en werkelijkheid nog kunnen maken. Als ik hier rondloop... Je niet meer weet of ze een gangsterfilm nadoen, of dat het menens is.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.