Emma Crebolder schetst met scherpe pen de kreukels van het leven

 

Toen Emma Crebolder (1942) onlangs bij een voordracht uit haar bundel Vergeten (2010) aankondigde gedichten te gaan reciteren zonder op het papier te kijken, hield ik mijn hart vast. In plaats van poëzie presenteert de ijverig voordragende dichter dikwijls een stroeve geheugenoefening.


In Vergeten beschrijft ze niet alleen het uiteenvallen van het geheugen; ze laat het ook plaatsvinden door binnen het gedicht naar woorden te zoeken. Ook in haar voordracht durfde ze het aan een falend geheugen in te zetten als instrument. Het gespannen zwijgen en het tasten naar woorden kreeg net zoveel ruimte als de woorden die ze hakkelend opdiepte. Naar haar luisteren werd een schitterende belevenis.


Het proces van vergeten komt in het werk van Crebolder niet gemaakt over. Het is alsof het ter plekke - op het papier - gebeurt. De lezer is getuige van de gaten die het falende geheugen slaat:


Met wat ik gisteren vergat zijn de buitenmuren van een kerk bestreken. Het rode poeder wordt gewonnen uit de wortelkern van een stekelig gewas. Zo schiet je mij te binnen: ik wijk, denk aan slijkovalen, aan gespierde billen. Desnoods aan websites waaruit een teken op gaat doemen. Blanco zit ik daar, vergeet nog iets te willen.


Ook in de bundels Vallen (2012) en Verzoenen, waarmee het drieluik in 2014 werd afgerond, wordt de grondgedachte gevormd door wat oncontroleerbaar is. Het indrukwekkende drieluik is niet eerder als geheel besproken. Het laatste deel heeft onbegrijpelijk genoeg geen aandacht gekregen.


In de concentratie op wat wegglipt, is dit trio een sterke eenheid. In de loop van de bundels maken we de groei mee van een dichter die met scherpe pen de kreukels en barsten van het leven schetst.


In Vallen wordt gestruikeld en neergestort. Alleen de taal van Crebolder blijft overeind. Deze is veerkrachtig en vindingrijk, en beweegt zich superieur tussen het vormelijke en zinnelijke. De stem van Crebolder is weerbarstig in het aftasten van wat misgaat en scheeftrekt.


De vorm, elk gedicht telt tien strofen, wordt stug volgehouden. De dichter laat zich niet klein krijgen door de natuur die alles wat ze voortbrengt de nek omdraait.


Het slot van het drieluik brengt ondanks de titel geen troost. Niets komt goed. Hooguit is de toon van de dichter in Verzoenen milder geworden. De verschrikking van alles wat voorbijgaat is er niet minder om en komt zo mogelijk nog harder aan:


Mijn dode schoolvriendin werd onlangs verbrand: eens zou haar lichaam zich als vuurgeest ontpoppen. Uit kierende deksels van overjarige walnoten kronkelen mijn voorboden. Ik plet ze gruwend. Toch wil ik bij jou liggen, aardworm. Op mijn zij. Dan kan ik goed slapen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden