Elke hoed is op zich een personage

Stephen Jones..

Milou van Rossum

* * * *

antwerpen Hoeden zijn de stiefkinderen van de modewereld. Ze zijn nog altijd geregeld te zien in modeshows, en spelen daar een niet onbelangrijke rol in het overbrengen van een beeld. Maar anders dan de kleren, tassen en schoenen die op de catwalk te zien zijn, wekken ze zelden hebzucht op.

Hoeden worden in het Westen alleen nog maar gedragen op bruiloften en op Prinsjesdag, door een enkele excentriekeling, wat mannen boven de vijftig en mensen die ze om religieuze redenen dragen. Weliswaar werden panamahoeden, bolhoedjes en klassieke vilthoeden een paar jaar geleden een trend onder modieuze tieners en twintigers, maar die is alweer over zijn hoogtepunt heen.

Niettemin heeft het ModeMuseum in Antwerpen het aangedurfd een hele tentoonstelling te wijden aan hoeden. De hoeden van de Brit Stephen Jones (1957), om precies te zijn, samen met zijn landgenoot Philip Treacy eigenlijk nog de enige echt grote naam op hoedengebied.

Bijna de helft van de hoeden op de expositie is afkomstig uit de verzameling van Geert Bruloot en Eddy Michiels, eigenaren van schoenwinkel Coccodrillo in Antwerpen. Ze kopen het werk van Jones aan sinds 1988, een paar jaar geleden gaven ze hun collectie in bruikleen aan het museum.

Bruloot raakte in de ban van Stephen Jones door een foto in het Britse tijdschrift i-D waarop de ontwerper een grillige hoed van eigen ontwerp voor zijn gezicht hield. ‘Zo’n modern beeld was dat toen.’ Twee jaar lang probeerden hij en Michiels Jones’ hoeden te verkopen in Louis, de modewinkel die ze toen ook nog dreven. ‘Maar dat lukte natuurlijk helemaal niet.’ Sindsdien laten ze bij hun aankopen enkel nog leiden door hun persoonlijke voorkeur.

De meeste hoeden worden op de expositie gedragen door abstracte witte ‘hoofden’ op steeltjes, die weer staan opgesteld tussen witte, vaak uitvergrote hoedendozen. De expositie is verdeeld in vier thema’s, bij ieder thema is een metersgrote kopie van een kenmerkende hoed gemaakt.

Een aantal keer zijn de hoeden gecombineerd met de outfits waarbij ze zijn gemaakt – Jones maakt hoedencollecties onder zijn eigen naam, maar werkt ook voor onder meer John Galliano, Azzedine Alaïa, Marc Jacobs en Yohji Yamamoto.

Opmerkelijk is hoe goed hij zich naar de stijl van zijn opdrachtgevers weet te voegen. De abstracte pruiken en hoeden met een grote penis of een tv-toestel erop voor Walter van Beirendock zijn net zo kleurrijk, uitbundig en schijnbaar naïef als de kleren van de Belgische ontwerper, de couturecreaties voor Dior couture poëtisch en dramatisch, Jones’ ontwerpen voor het Japanse avant-gardemerk Comme des Garçons fascinerend vreemd.

Jones werd in Londen opgeleid als modeontwerper, maar zoals hij in de catalogus zegt: ‘Mijn karakter was mogelijk niet sterk genoeg om een eigen modelabel te creëren. Ik werkte liever samen met anderen.’

Zijn eerste hoeden werden eind jaren zeventig door zijn vrienden en hemzelf gedragen in de hippe nachtclub Blitz, waar de theatrale new romantic-stijl begon. Zijn doorbraak dankte hij aan de videoclip van Do you really want to hurt me van Culture Club. Jones figureert erin met een zelfgemaakt zwarte fez op zijn hoofd, een klassieke oosterse hoed in de vorm van een iets taps toelopende cilinder. Die werd opgemerkt door Jean Paul Gaultier, die bij Jones voor zijn zomercollectie 1984 rode exemplaren liet maken, met een lange, blauwe kwast eraan.

Zijn hoeden, zegt Jones, moeten bruisen, bij elke hoed verzint hij daarom een volledig personage. Het lijkt er eerder op dat bijna elke hoed van Jones een personage of verhaal op zich is. De meest uiteenlopende dingen weet hij naar een hoed te vertalen: bloemen, dieren, kledingstukken, een gebakken ei, een beverdam, een schilderspalet, een stapel boeken, een tuin met een prieeltje, een kerstboom.

Het bijzondere is dat dat er nooit mal of hysterisch uitziet. Dat ligt deels natuurlijk aan de context en de inrichting van de expositie. Maar het heeft ook te maken met Jones’ zorgvuldige maakwijze en het feit dat hij zich bijna nooit laat verleiden tot het slagschipformaat waar bijvoorbeeld Laurentien Brinkhorst zo dol op is. De hoeden van Stephen Jones zijn verfijnde, surrealistische, geestige, kokette, frivole creaties. Ze zeggen weinig over de dagelijkse mode van de afgelopen dertig jaar, maar zijn een feest om naar te kijken.

Milou van Rossum

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden