‘ELK DEBUUT IS EEN TEST’

‘Yannick’, zegt het Rotterdams Philharmonisch Orkest tegen zijn nieuwe chef-dirigent, een 32-jarige Canadees met een tongbreker als achternaam. Hij is de opvolger van Gergjev: ‘Heel grote schoenen om in te stappen.’ Door Roland de Beer..

Geboren worden in Quebec: kan best. Zingen in een r.k.-kerkkoor, vooruit. Hosties aanreiken en priester willen worden, oké. Piano en compositie studeren, prima. Op avontuur gaan als koordirigent en klavecinist, niets op tegen. Een eigen barokensemble oprichten, waarom niet. Stage lopen bij Carlo Maria Giulini: altijd doen. Links en rechts de operabak induiken, natuurlijk. Invallen voor Lorin Maazel in Sydney: geen probleem.

Opvolger worden van Valeri Gergjev als chefdirigent van het Rotterdams Philharmonisch Orkest: moet kunnen. Maar what the hell heeft Yannick Nézet-Séguin ertoe bewogen een naam te kiezen als Yannick Nézet-Séguin?

Op zijn verbouwereerde blik volgt een hartgrondig lachsalvo, van het soort dat een mens of helemaal niet, ofwel in royale mate op het repertoire heeft. ‘Ik ben niet iemand die anderen het leven moeilijk probeert te maken’, verduidelijkt Nézet-Séguin, sprekend in tenorale timbres. Als ‘Yannick Séguin’ werd hij 32 jaar geleden in het geboorteregister van Montreal ingeschreven. Zijn moeders naam Nézet plakte hij er op z’n 16de zelf tussen.

‘Séguin is een gewone naam in Frankrijk en Quebec. Maar Nézet heb je alleen in Bretagne nog een beetje en verder nergens. Ik vond het zonde dat ‘Nézet’ bij mijn moeder zou ophouden. Vandaar. Ik heb mensen ontmoet die er uit alle macht op aandrongen dat ik het zou vereenvoudigen. Maar anderen zeggen: verander geen letter, je naam is zo’n tongbreker dat hij bij iedereen blijft hangen.’

In Rotterdam hebben ze hem afgekort tot ‘Yannick’. ‘Ik vind het ruim voldoende.’

De woorden I-vo Op-stel-ten laat Nézet-Séguin van zijn kant moeiteloos van de lippen rollen. Ofschoon het al een jaar geleden is dat de burgemeester van Rotterdam zijn benoeming als chef van het RPhO wereldkundig maakte. Feyenoord bekt lastiger. ‘Ik ben ook meer van het ijshockey. Ik ben Canadees, kan ik het helpen?’

Twee gastbeurten waren genoeg voor het Rotterdamse orkest om hem op het schild te heffen. Maandag begint hij in de Doelen aan zijn eerste repetities als ‘aanstaand chef’. Gergjev vertrekt in juni. Wat hij achterlaat voor Nézet-Séguin, dat zijn ‘heel grote schoenen om in te stappen’. ‘Een geweldige eer. Maar ik voel me niet geïntimideerd.’

Elke dirigeergestalte genereert een eigen basisgeluid. De Gergjevsound, voor welk orkest hij ook staat, is in principe stevig en vol, gedragen door grofborstelige bassen. Het Yannickgeluid komt uit tegenovergestelde richting. Zoveel wordt wel duidelijk in het Konserthus van Stockholm, bij een repetitie van het Zweedse Koninklijk Philharmonisch Orkest. Nézet-Séguin is er een weekje te gast, tussen dirigeerbeurten in Nieuw Zeeland, Lyon, Montreal en Rotterdam door.

Het Yannickgeluid is fijnmazig, met een geconcentreerd pianissimo als referentiekader. Tsjaikovski’s symfonie Pathétique ontrolt zich langs de route van de klare lijn; de muzikale zuchten en huilbuien in het slotdeel worden met spitse precisie uit het orkest getrokken, door een stokje dat niet alleen inzetten coördineert en een ritme beschrijft, maar ook als wentelwiek fungeert van het crescendo.

‘Dit is niet een rare move van mij. Het is maar een vraag van Ravel’, verontschuldigt hij zich even later in de richting van de strijkers, een vertraging plus versnelling repeterend in Ravels suite Le tombeau de Couperin. Een pauzerende paukenist raakt op de achterste rij in gesprek met de solotrompet en wordt door een hoornist de mantel uitgeveegd. In het woordenboek van Nézet-Séguin zelf komen vermaningen amper voor. Ze horen in zijn manier van repeteren ook niet tot de benodigdheden.

Gestoken in het werkkostuum van de hedendaagse dirigeerjongere (T-shirt, sportschoenen) laat hij zich bij een doorloop van Wagners Wesendonck-Lieder gretig een orkestfrasering bijbrengen door de soliste, de gelouterde Zweedse Wagnerdiva Nina Stemme. Het onderonsje bereikt de achterste blazersrijen uiteindelijk via gebaar en mimiek: complete teksten over het Treibhaus en de wunderbare Träume zingt hij geluidloos mee. Geen hoornist die niet kan liplezen.

‘Het zal wel door mijn verleden komen, mijn verleden als koorzanger en koorleider’, zegt Nézét op een rustiger ogenblik. ‘Ik wil altijd het gevoel ondervinden van een gezongen lijn, ook in een complexe symfonie. Als ik dat gevoel niet krijg, word ik ongelukkig. Zingen is belangrijker dan metronomische precisie. The line is alles.’

In Montreal was hij misdienaar in de kerk Saint Isaac Jogues en koorknaap van het Choeur Polyphonique van de kathedrale basiliek Maria-Koningin der Wereld. Op zijn achttiende werd hij bevorderd tot dirigent van dat koor. Het eerste stuk dat Yannick sloeg was, in weerwil van zijn toenmalige sympathie voor de afscheiding van Quebec, het volkslied O Canada (‘land van ons huis en onze geboorte’).

Symfonie Pathétique in het Stockholms Konserthus: het publiek maakt korte metten met ieder vooroordeel omtrent Scandinavische onverstoorbaarheid, en leeft zich na het pianissimo van de slotmaten uit in ritmisch applaus. Als het voetgestamp verstreken is en Nézet-Séguin is afgetaaid, schudden musici van de Kungliga Filharmonikerna elkaar de hand. Anderen omhelzen elkaar op het podium.

‘Dat zal wel door het stuk komen’, relativeert Nézet-Séguin de volgende ochtend. ‘We leven allemaal wat intenser als we de Zesde van Tsjaikovski horen. Musiceren gaat bij mij nooit van ‘wie deelt hier de lakens uit’.’

Wel ziet hij in elk orkest een criterium, namelijk of het wel of geen ‘weerstand’ biedt op het gebied van tempo. ‘Duwen tegen een orkest, dat maakt me gek.’ Stockholm: in orde. Lyon: verrassend meegaand, sympathiek (ondanks Frans geklets tijdens repetities). Rotterdam: ‘Ongelooflijk soepel’.

Nog een graadmeter: ‘Bij veel orkesten zal een concert nooit beter klinken dan wat je op een repetitie bereikt. Die kruipen als het erop aankomt in hun schulp, soms met hele secties tegelijk. In Rotterdam ligt dat anders. Die willen maar een ding, een echte performance.’

Aan de uitdagingen van komende donderdag in de Doelen zal het niet liggen. Na Richard Strauss’ Tod und Verklärung, schildering van een eenzame doodsstrijd (tevens een groot-orkestraal paradepaard), komt de doodsbaar in fluweliger tonen voorbij in Mahlers Lieder eines fahrenden Gesellen. Na de pauze is de beurt aan Beethoven, in wiens Eroica het graf wordt opgezocht in via een treurmars.

Nogal veel afscheid en dood, voor een coming man wiens benoeming in Rotterdam werd aangekondigd onder het motto ‘opnieuw een jonge, bevlogen dertiger’.

Nézet-Séguin: ‘Muziek van echte betekenis heeft vaak te maken met de dood, ik kan er ook niets aan doen. De dood geeft kennelijk inspiratie. Er is niets mooiers dan een Requiem. Bij de Tod van Strauss volgt trouwens nog een Verklärung. En optimistische variaties bij Beethoven, haha. Ik heb altijd van Beethoven gehouden. We gaan ook al zijn symfonieën doen. Goed voor alle partijen. Ik vind: elk orkest met een nieuwe chef moet beginnen met alle symfonieën van Beethoven op het programma te zetten.’

Dan zal zo’n orkest niet te vaak moeten wisselen van chef.

‘Ik was echt heel erg van plan om zo lang mogelijk te blijven.’

Wat bent u, een product van democratie binnen de RPhO-gelederen, of een gok van de directie?

‘Een beetje van allebei, vermoed ik. Ze hebben me geen gestempelde verklaring gestuurd met de redenen waarom de keus op mij viel. Zoiets is een zaak van klikken of niet klikken. Wat ik me kan voorstellen, is dat een orkest na Gergjev iemand wil hebben die anders is. Niet een beetje anders, maar echt totaal anders.’

Taferelen waarin de chef vlak voor aanvang een concertzaal binnenstormt om een niet door hem gerepeteerd programma tot uitvoering te brengen met een wit weggetrokken RPhO, worden achter de repeteergrage Nézet-Séguin in elk geval niet vermoed. Het RPhO bracht bij Nézet-Séguins benoeming een verklaring uit waarin het zijn musici omschreef als ‘zelden zo eensgezind positief’.

‘Ik wist dat ze naar iemand op zoek waren, maar had niet door dat ik onderdeel was van de zoektocht’, herinnert Nézet-Séguin zich van zijn gastdebuut in 2005. Hij voelde zich getest, maar hechtte er geen betekenis aan. ‘Elk debuut is een test. Elke repetitie is een test. Fouten maken mag. Spelletjes spelen niet.’

De precisie van zijn priemende baton, waar zou die vandaan komen? Koordirigenten hanteren doorgaans überhaupt geen baton.

‘Geen idee’, zegt Nézet-Séguin. ‘Ik heb eigenlijk maar weinig les in orkestdirectie gehad. Het belangrijkste heb ik opgestoken van Carlo Maria Giulini. Die zei twee dingen: waar het om gaat in de muziek, dat zit in je geest. Als hetgene dat jij wil bereiken helder is, dan zal je gebaar ook helder zijn. Ten tweede, zodra je begint met ‘denken over een gebaar’ kun je wel inpakken. Dan is de helderheid meteen weg.’

De legende-Giulini was 83 toen hij zijn laatste concertreizen maakte, 61 jaar ouder dan de Canadees die zevenmaal de oceaan overvloog om repetities en concerten van hem te volgen in Milaan, Parijs, Spanje, Zwitserland. ‘Ik mocht een paar maal op audiëntie en dan zei hij, ‘ik geef geen les’. Ik heb eens een hele repetitie lang alleen maar naar de eerste violen gekeken om hun op- en afstreken te noteren in de Negende van Bruckner. Hij zei er niets over. Maar wat ik hem nóg zie doen: hij stond erop dat zelfs de zachtste klank vibrato kreeg, en als een baby werd gekoesterd. Ik was overweldigd door zijn humane approach.’

Het weinige dat de sfinx hem in woorden doceerde, werd door Yannick Nézet-Séguin ijverig genoteerd. Zoals: ‘Vertrouw jezelf’. Respectievelijk: ‘Zing het!’ (op de vraag: maestro, hoe moeten we deze gecompliceerde overgang calculeren?).

Nézet-Séguin, in Canada geboekstaafd als de eerste echt in Canada geboren stokjeszwaaier van kaliber sinds het ontstaan van Canada, zoekt een huis in Rotterdam. ‘Misschien bij de Erasmusbrug. Misschien in de omgeving.’ Pernis werd hem afgeraden. ‘Misschien Delft.’

Daarnaast wil hij chef blijven van het Orchestre Métropolitain du Grand Montréal, een orkest dat bijna op z’n kont lag toen het hem op z’n 25ste binnenhaalde. Hij bracht er vorig jaar een Requiem van Verdi mee dat door de kritiek hoger werd aangeslagen dan een recente uitvoering van Charles Dutoit met het veel beroemder Orchestre Symphonique de Montréal.

De laatste die aan requiems een broertje dood heeft, is Yannick Nézet-Séguin. Het was het Deutsches Requiem van Brahms dat hem voor het eerst voor orkestmusici deed belanden. Hij had er met zijn koor een jaar aan gewerkt, en merkte dat het ook best ging met de zeventig strijkers en blazers die hem aanstaarden.

Omgekeerd spreekt hij nu al zijn vertrouwen uit in het Nederlands Kamerkoor dat hem in maart zal vergezellen in een Rotterdamse Matthäus Passion. ‘We hebben het er binnen het RPhO over gehad, of ik niet zou moeten dirigeren vanaf een klavecimbel.’ Yannick zag er voorlopig van af. Al zou de dubbelrol hem minder complicaties bezorgen dan toen hij zich tijdens een Johannes Passion met zijn eigen Chapelle de Montréal moest omdraaien om, al doordirigerend, zelf de lange en strottenhoofdbrekende tenor-aria Erwäge voor zijn rekening te nemen (‘de tenor die we hadden, wilde er niet meer aan’).

Erwäge, wie sein blutgefärbter Rücken. ‘Ik heb dat lang gehad, dat ik priester wilde worden. Als kind was ik altijd bezig met de passie en de kruisiging. Ik las erover. Maakte er tekeningen van. Waar het vandaan kwam, ik weet het niet. Allebei mijn ouders leven nog, ik heb geen catastrofes gekend. Ik ben een vrolijke en gelukkige, tamelijk optimistische persoon.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden