Elgar, Dvorák, Respighi en Vasks

Cellomeisje om u tegen te zeggen * * * *

Frits van der Waa

In zijn in 1919 gecomponeerde Celloconcert lukt het Edward Elgar de sterke eigenschappen van de cello, die toch al geen zwakke kanten heeft, tot op het bot te benutten.
Zowel voor het publiek als voor de solist is het een dankbaar stuk, met vlezige melodieën en een mooie opbouw in vier delen, die op het laatste na tastend openen en allengs ter zake komen.

Een kolfje naar de hand van de in 1981 in Argentinië geboren, maar nadien uitgesproken kosmopolitische celliste Sol Gabetta, die het werk samen met het Danish National Symphony Orchestra op de plaat heeft gezet. Haar uitvoering ademt kracht en volstrekte zelfverzekerdheid, zowel in de cantabile-lijnen als in de snaakse toonherhalingen van het scherzo en het aplomb van het slotdeel.

Van de drie aanvullende vroegere Elgar-composities is 'Sospiri' de meest substantiële. De stukken van Dvorák en Respighi, die als verdere opvulling dienen, hebben als belangrijkste eigenschap dat ze makkelijk in het oor liggen.

Bij 'Gramata cellam' (1978) van de Letse componist Peteris Vasks ligt dat anders, en het is dan ook niet onlogisch dat dit solostuk is ondergebracht op een apart schijfje. Na een uitgesproken schel en fel begin, vol dissonanten en stotterende ritmes, brengt het tweede deel rustiger vaarwater, en verrassend engelachtig gezang van Gabetta zelf, die hiermee eens te meer laat horen dat ze een cellomeisje is om u tegen te zeggen.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden