CultuurOranjehotel

Eindelijk een kijkje nemen in het ‘Oranjehotel’

Lange tijd was de Duitse strafgevangenis in Scheveningen niet toegankelijk voor publiek.

Het ‘Oranjehotel’ in Scheveningen.Beeld Nationaal Monument Oranjehotel.

‘Ik ben er anders uitgekomen dan ik erin ben gegaan.’ Met deze summiere informatie gaf verzetsstrijder George Maduro – naar wie later Madurodam is vernoemd – in 1941 een indruk van de ontberingen die hij had moeten ondergaan tijdens zijn (tweede) verblijf in de cellenbarakken van de Duitse gevangenis in Scheveningen. In de volksmond stond het complex te boek als ‘Oranjehotel’, een ode aan de verzetsstrijders die er waren ondergebracht. En zo is het nadien blijven heten.

Omdat de cellenbarakken onderdeel waren van de Scheveningse strafgevangenis, waren ze lange tijd niet toegankelijk voor het publiek. Eenmaal per jaar, in het laatste weekend van september of het eerste weekend van oktober, werd er een besloten herdenkingsbijeenkomst gehouden. Maar vanaf  september 2019 zullen de zeven cellengangen het middelpunt vormen van een herinneringscentrum met ruimtes voor tentoonstellingen en ‘educatieve activiteiten’.

Het latere Oranjehotel werd in de nadagen van de Eerste Wereldoorlog gebouwd om het hoofd te kunnen bieden aan de toenemende criminaliteit – in die tijd vooral zwarthandel. Het complex telde vijfhonderd cellen die ook naar toenmalige maatstaven al aan de krappe kant waren: 1,9 bij 3,7 meter. De inventaris bestond uit een bed, een klaptafel met een kruk en een poepemmer.

In de zomer van 1940 werd het als Duitse ‘politie- en onderzoeksgevangenis’ in gebruik genomen. Soms verbleven er 1.500 mensen – gemiddeld drie per cel. In totaal hebben tijdens de Duitse bezetting naar schatting zo’n 25 duizend mensen – in de regel ‘goede vaderlanders’ – in het Oranjehotel verbleven. 734 van hen, onder wie George Maduro, hebben de oorlog niet overleefd. Het regime in het Oranjehotel was uitermate wreed. ‘Voor alles wat hun niet beviel, werd je afgerost’, schreef een gedetineerde die het kon navertellen. ‘Dat ging óf met gummiknuppels óf met twee zware sleutelbossen waarmee je in het gezicht werd gebokst.’

215 gedetineerden zijn via het poortje dat in het verlengde ligt van de middelste gang afgevoerd naar de executieplaats op de naburige Waalsdorpervlakte. De laatste nacht van hun leven brachten zij door in een van de dodencellen, waarvan er een (nummer 601) in de oorspronkelijke staat behouden is gebleven. Voor de terdoodveroordeelden werd het harde regime gedurende hun laatste levensuren enigszins versoepeld. Zij mochten elkaar bezoeken, kregen soms wat te roken, schreven afscheidsbrieven en zongen samen. Zo ook de vijftien leden van de verzetsgroep de Geuzen en de drie februaristakers – de achttien doden uit het gelijknamige gedicht van Jan Campert – die op 13 maart 1941 werden terechtgesteld. Zij zongen psalm 43, dat sindsdien nog geregeld bij plechtigheden werd aangeheven: ‘Dan ga ik op tot Gods altaren’.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden