Eindelijk Brecht in Weimar-theater bij uitstek

Het is min of meer toeval dat er niet eerder een stuk van Brecht in het Admiralspalast is opgevoerd. Klaus Maria Brandauer regisseert er de oerversie van de Dreigroschenoper....

Het Berlijnse Bauamt, de bouwinspectie, beslist vandaag of het Admiralspalast zijn deuren mag openen. Een dag voor de heropvoering van Bertolt Brechts Dreigroschenoper moeten de bars nog afgetimmerd worden, ontbreekt een deel van de decoratie in de foyer en moeten er nog ramen worden geplaatst. Maar het komt goed, zegt een woordvoerster met de moed der wanhoop, al komt het aan op zeer precieze timing.

Zo ging het de afgelopen weken steeds. Als de bouwvakkers pauzeerden, hervatten de acteurs hun repetities. En als de acteurs pauzeerden – en dat deden zij vaker dan hun lief was – gingen de bouwvakkers verder met hun werk. Maar morgenavond moet het theater bij het Berlijnse station Friedrichstrasse in een zodanig toonbare staat verkeren, dat Brechts antikapitalistische opera er in zijn oerstaat van 1928 kan worden vertolkt.

Wat regisseur Klaus Maria Brandauer (62) betreft, is met de aanwezigheid van een paar stoelen voldaan aan de belangrijkste randvoorwaarde voor het doorgaan van de première. Desnoods lukt het ook zónder stoelen. ‘Ik ben op bouwplaatsen opgegroeid’, voegt actrice Maria Happel – de vertolkster van Spelunkenjenny – daar opgewekt aan toe. ‘Ik heb jaren in een theater gespeeld dat nooit voltooid leek te worden. En toen dat, tegen alle verwachtingen in, tóch gebeurde, bleven de mensen weg. Want ze vonden een gepolijst theater niet chic.’

Brandauer voert, omgeven door noodwandjes en contactdozen, een ongelijke strijd met een heel slecht humeur. Toch is dit de meest aangewezen plaats voor de uitvoering van een natuurgetrouwe Dreigroschenoper, zegt hij. Want op een steenworp afstand, aan de Schiffbauerdamm, toonden Bertolt Brecht en componist Kurt Weill op 31 augustus 1928 iets wat de mensen tot op dat moment nog nooit hadden gezien of gehoord: interactief, ‘episch’ theater, sociaal-kritisch variété, decorwisselingen en andere ‘anti-illusionistische effecten’.

‘Maar het hád ook hier gebeurd kunnen zijn’, zegt Brandauer. Want het Admiralspalast droeg toen al de fysieke sporen van alle transformaties die de cultuur ten tijde van de Weimar Republiek had ondergaan. Het had een art-déco-fase achter zich, en het was gemodelleerd naar het expressionisme (alvorens het op last van Joseph Goebbels in classicistische stijl werd gerenoveerd). Het had de pikante Haller-revuen gehuisvest, en uiteenlopende vormen van grensverleggend theater. Dat er tot dusverre nooit een stuk van Brecht is uitgevoerd, berust op een niet nader te determineren toeval. Bijna vijftig jaar na de dood van Brecht gaat Brandauer deze omissie herstellen.

Zijn voornemen heeft ook tot een hervatting van oude Brecht-controverses geleid. Daarbij staat vooral de vraag centraal of de toneelschrijver gemene zaak heeft gemaakt met het DDR-regime. Erg belastend is het telegram waarmee Brecht in 1953 bij de partijleiding zijn instemming betuigde met het neerslaan van de opstand van 17 juni.

Maar Brecht-apologeten wijzen erop dat de toneelschrijver voortdurend de strijd aanbond tegen de cultuurpolitiek van het regime, en dat zijn gelukwens over het neerslaan van de democratische opstand in werkelijkheid de cynische uitsmijter was geweest van een pleidooi voor meer burgerlijke vrijheden. Bekend is dat Brecht vlak na de opstand in de Academie der Kunsten de volgende resolutie in stemming bracht: ‘Nu is komen vast te staan dat ons volk een domme kudde is, raden wij de regering aan een ander volk te kiezen.’

Hoe het ook zij: de waardering voor Brecht loopt in west- en oost-Duitsland nogal uiteen. Dat blijkt ook tijdens de laatste persconferentie in het Admiralspalast. Brandauer ontsteekt in authentieke woede als een van de vragenstellers suggereert dat hij als Oostenrijker niet met Brecht is opgegroeid, en misschien niet met zijn idioom vertrouwd is.

‘Dank voor uw roerende bezorgdheid over mijn bekendheid met de Duitse klassieken’, sneert hij. ‘Maar ik kan u geruststellen: dankzij een oppassende leraar ben ik ontkomen aan de culturele diaspora waarvan u kennelijk het slachtoffer bent.’

En zowaar: hij citeert de eerste strofe van Brechts gedicht Pflaumenbaum (‘Im Hofe steht ein Pflaumenbaum, Der ist klein, man glaubt es kaum*’). Tot zijn grote voldoening kan de brutale vragensteller de ontbrekende strofen niet reciteren. ‘Kom, u bent toch een Brecht-specialist?’ Voor het eerst deze ochtend lijkt Brandauer het een beetje naar zijn zin te hebben.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden