NieuwsHendrik de Leth

Eerste tekening van Hollands slavenschip bij toeval opgedoken in archief

Op de prent van Hendrik de Leth zien we Beeckesteyn aangemeerd voor de huidige Prins Hendrikkade, met rechts de Montelbaanstoren en het Wagthuys.

De prent is te zien op de tentoonstelling Amsterdammers en slavernij in het Stadsarchief in Amsterdam. 

Je moet het weten om het te herkennen: op een prent van de bekende kunstenaar Hendrik de Leth uit de eerste helft van de 18de eeuw is een slavenschip van de West-Indische Compagnie (WIC) afgebeeld. Het betreft Beeckesteyn, een Hollands WIC-schip, dat tussen 1722 en 1736 op een zevental reizen ten minste 4.600 slaven vervoerde van de Afrikaanse westkust (onder andere Elmina) naar de koloniën Suriname en Sint Eustatius. Zeker duizend van hen stierven gedurende de overtocht.

De identificatie van het schip is een unicum, vertelt Mark Ponte, historicus en gastconservator van Amsterdammers en Slavernij, een expositie in het Stadsarchief over de betrokkenheid van de hoofdstad bij de slavenhandel. Andere hedendaagse afbeeldingen van slavenschepen van de West-Indische Compagnie zijn vooralsnog onbekend.

De vondst was een toevalstreffer, vertelt Ponte. Hij zocht een afbeelding van het West-Indisch Pakhuis (ook op de prent te zien), en toen hij de naam Beeckesteyn invoerde in de database slavevoyages.org stuitte hij op de status van het schip. Of er materiële restanten bestaan van Beeckesteyn is vooralsnog onbekend. Zodra de omstandigheden het toelaten, wil Ponte in het Nationaal Archief verder onderzoek doen naar het schip.

Op de prent zien we Beeckesteyn aangemeerd voor de huidige Prins Hendrikkade, met rechts de Montelbaanstoren en het Wagthuys. De prent werd gebruikt ter versiering van landkaarten. Een exemplaar is nu te zien in de expositie.

De tentoonstelling handelt over de betrokkenheid van Amsterdam bij de slavenhandel tussen 1602, het jaar van de oprichting van de VOC, en 1873, het reële einde van de slavernij. Zowel slavernij in de Oost als in de West komen daarbij aan bod, in het bijzonder de kolonie Suriname, waarvan Amsterdam mede-eigenaar was. Iedereen in de stad zou daar ‘een stuck broodt’ aan hebben verdiend.

De tentoonstelling schetst de rol van slavernij in de stad aan de hand van dertien portretten van betrokkenen. Het is een uiteenlopend gezelschap: mannen, vrouwen, volwassenen, kinderen, wit, zwart; een slavenhandelaar, een notaris, een tabakswinkelier uit de Lange Leidsedwarsstraat die zijn waar aanprees met een advertentie waarop een zwarte man knielt voor twee witte kolonisators. Een van de portretten betreft Johannes Charles, die in 1793 werd geboren in de buurt van Elmina (tegenwoordig Ghana), en die als kind tot slaaf werd gemaakt. Charles belandde in Suriname, waar hij in 1817 werd vrijgemaakt door (de in slavernij geboren) Majorin Elisabeth – als bediende reisde Charles met haar naar Nederland, naar Amsterdam, zijn 2-jarige zoontje achterlatend in Suriname. Zijn levensloop tikte alle honken aan van de beruchte driehoeksvaart. Uitzonderlijk.

Amsterdammers en Slavernij, Stadsarchief, t/m 11 oktober 2020

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden