EERST NOTEN LEZEN, DAN SWINGEN Thomas Brothers poneert een nieuwe visie op de geboorte van de jazz

In het najaar van 1921 beleefde Louis Armstrong het meest glorieuze moment van zijn leven. Net twintig jaar oud mocht hij tijdens een straatoptocht in New Orleans meespelen met de Tuxedo Brass Band....

Bert Vuijsje

In Louis Armstrong’s New Orleans legt Thomas Brothers driehonderd pagina’s lang uit wat de trompettist met die woorden bedoelde. Daarmee probeert hij tegelijkertijd een nieuwe visie op het ontstaan van de jazz te geven. De essentie van Brothers’ boodschap is dat New Orleans in de eerste decennia van de 20ste eeuw niet alleen naar huidskleur was gesegregeerd, maar vooral een kastenmaatschappij vormde. En voor iemand als Louis Armstrong was de kloof tussen blank en zwart misschien wel minder belangrijk dan het sociale onderscheid tussen negers (merendeels afstammelingen van plantageslaven) en creolen (gekleurden van deels Franse komaf, die nooit slaaf waren geweest).

Voor de Amerikaanse burgeroorlog kende de staat Louisiana drie categorieën inwoners: blanken, gens de couleur libres en slaven. Na 1896, toen de rassenscheiding volgens het separate but equal-beginsel door het Amerikaanse Hooggerechtshof juridisch werd gelegitimeerd, belandden de creolen van New Orleans formeel in dezelfde ontrechte positie als de negers. Maar het standsverschil was er niet minder om. Creolen waren veelal geschoolde ambachtslieden die zich zonder veel moeite door de stad konden bewegen. Negers werkten hoogstens als ongeschoold arbeider en moesten voor hun hachje vrezen zodra ze zich buiten hun eigen buurt waagden.

Ook in muzikaal opzicht was het onderscheid groot. De creoolse muzikanten hadden doorgaans een strenge opleiding genoten. De negermuzikanten waren vrijwel zonder uitzondering autodidact en speelden alleen uit het hoofd. Beide groepen bejegenden elkaar met stevig ressentiment.

Trombonist George Fihle, een creool, moest er omstreeks 1913 niet aan denken dat een neger-kornettist in zijn orkest zou meespelen: ‘We don’t want the out of towners.’ Jelly Roll Morton (geboren als Ferdinand Joseph Lamothe) had het volgens zijn vrouw Mabel niet op negers. ‘He always said they would mess up your business.’

De negermuzikanten betaalden met gelijke munt terug. Louis Armstrong herinnerde zich met grote tevredenheid hoe hij in 1918 bij een begrafenis een keer mocht invallen bij het orkest van John Robichaux en op de terugweg zoveel applaus oogstte dat hij een toegift moest geven. ‘We bewezen ze dat elke geschoolde muzikant muziek kan lezen, maar zij kunnen geen van allen swingen... Een mooie les voor hen.’ Net zo tevreden was hij over het feit dat Jelly Roll Morton als pianist in Lulu White’s beroemde bordeel in New Orleans in de keuken moest eten, ‘the same as we Blacks’.

Tegen die achtergrond voelde Armstrong het als een immense overwinning toen hij in 1921 als kornettist aan het hoofd van de creoolse Tuxedo Brass Band door de straten van New Orleans mocht paraderen. Dat hij daartoe werd uitverkoren, dankte de jonge neger uiteraard aan zijn vakmanschap. Zijn eerste muzieklessen kreeg hij in 1913 in het Colored Waif’s Home for Boys, waar hij was beland nadat hij als 11-jarige op de hoek van Rampart Street en Perdido Street een revolver had afgevuurd. Zeker zo belangrijk was vanaf 1918 zijn ervaring als muzikant in het orkest van Fate Marable, dat op de rivierboten van de gebroeders Streckfus speelde. Daar leerde mellofoonspeler David Jones hem serieus noten lezen.

Volgens Armstrongs eerste indruk was Jones ‘one of those dicty guys’ (neger-slang voor een zwarte die blanke pretenties heeft), ‘very much erect in everything he did – a little too erect, I’d say’. Maar achteraf herinnerde hij zich vooral hoe David Jones hem placht voor te houden dat hij pas echt zou kunnen swingen als hij noten lezen had geleerd. ‘Then you will swing in ways you never thought of before.’ ‘En hij had gelijk’, schreef Armstrong bijna twintig jaar later.

De slotsom lijkt duidelijk. De jazzmuziek die vanuit New Orleans de wereld veroverde, ontstond uit de synthese van de Afrikaans geïnspireerde spontaniteit van uptown en de muzikale discipline van de creolen uit the French Quarter.

Thomas Brothers, een hoogleraar muziekwetenschap aan Duke University in North Carolina die eerder het boek Louis Armstrong in His Own Words samenstelde, trekt vreemd genoeg een andere conclusie. Misschien gedreven door de geloofsartikelen van de politieke correctheid besluit hij Louis Armstrong’s New Orleans met een ode aan de jazz als ‘schepping van de ratty people... de gewone arbeiders, werksters, pooiers en prostituees, die door de rassenscheiding waren veroordeeld tot de economische onderkant van de samenleving’.

Armstrong mag er nog zo trots op zijn geweest dat hij de voor een trompettist razend moeilijke Maple Leaf Rag feilloos van blad kon spelen, maar Brothers weet het beter. De jazz van Louis Armstrong was geen muzikale gumbo, geen soep van Afrikaanse en Europese invloeden, ‘maar het product van directe en krachtige transformatie van het inheemse idioom van de plantages’.

Dat hij daarmee Louis Armstrong, een van de muzikale genieën van de 20ste eeuw, in feite patroniseert als ‘nobele wilde’, lijkt Thomas Brothers niet te beseffen.

Bert Vuijsje

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden