Eerst het boek, dan de film, dan het toneel

Pierre Audi mag dit jaar hebben gewaarschuwd dat het klassieke repertoire wordt veronachtzaamd, maar het wordt nog steeds gespeeld. En bovendien: veel film- en boekbewerkingen behoren tot het beste theater van de afgelopen jaren....

Op een enorme stapel oude matrassen springen de toneelspelers van Dood Paard op en neer, als stoute kinderen die geheime spelletjes spelen. Ze rollebollen over het smoezelige beddengoed, en veren op als duveltjes uit een doosje. De matrassen lijken zo van de straat te zijn gehaald; gebruikte attributen waarop niet alleen veel geslapen is, maar ook de nodige seksuele verlangens zijn ingelost.

Het is een treffend beeld en wonderwel passend bij het toneelstuk Reigen van Arthur Schnitzler. In tien scènes die even zovele vluchtige seksuele ontmoetingen beschrijven, laat Schitzler in Reigen een carrousel van menselijke lusten rondjes draaien. In een traditionele, klassieke opvoering heeft dit stuk altijd iets frivools, maar een regisseur of groep kan er ook een keihard statement van maken. Zoals Dirk Tanghe in 1999 deed in zijn regie bij De Paardenkathedraal, waarin de acteurs werden voortgestuwd door een ronkende racewagen. En zoals Dood Paard nu dus doet met zijn oude-matrassen-versie – sleets, ongemakkelijk, hysterisch en zwartgallig.

Reigen is geschreven in 1900 en behoort tot de klassieken van het toneelrepertoire. Het werk van Schnitzler (naast Reigen onder meer De Eenzame Weg en Het Wijde Land) wordt ook in Nederland nog regelmatig gespeeld. Er is een breed publiek dat graag naar toneelklassiekers gaat. Herkenbaarheid van thema’s en nieuwsgierigheid naar nieuwe interpretaties zijn daarbij belangrijke beweegredenen, zowel bij de makers als bij de toeschouwers.

Maar ook het klassieke repertoire is aan mode en tijdgeest onderhevig. Drie, vier jaar geleden struikelde de toneelbezoeker bijna over de Griekse tragedies – de ene Medea was nog niet gesneefd of de volgende Antigone stond al weer te trappelen van ongeduld. In tijden van oorlog, angst voor het vreemde en hang naar het goddelijke, grijpen regisseurs graag terug op de oude Grieken. Om daarmee iets universeels te beweren over noodlot, wraak en familie-eer. Zo zijn er ook theaterseizoenen waarin vijf Tsjechovs (de mens op zoek naar zingeving) of zes Shakespeares (zo ongeveer alle menselijke emoties) worden opgevoerd. Het Toneel Speelt heeft met succes Herman Heijermans uit de toneelbibliotheek gehaald, en Henrik Ibsen is altijd in de mode.

De rede waarmee Pierre Audi, artistiek leider van De Nederlandse Opera en het Holland Festival, dit jaar het Theaterfestival opende was daarom nogal opmerkelijk. ‘Op het gevaar af een aantal collega’s en beleidsmakers tegen de haren in te strijken, moet mij van het hart dat het voortbestaan van de kunstvorm theater gevaar loopt door de weigering te accepteren dat theater in een traditie staat’, zei Audi. Hij vond dat er te weinig klassiek repertoire wordt gespeeld, en ook dat er te weinig aandacht is voor nieuwe Nederlandse stukken. En hij constateerde dat theatermakers tegenwoordig liever teruggrijpen op het bewerken van films en romans. Met name die trend is hem een doorn in het oog. ‘Hebben we ons zo totaal afgekeerd van levende toneelschrijvers dat alleen literatuur en cinema het toneel nog waardig zijn?’, vroeg hij zich bezorgd af.

Voor een deel heeft hij gelijk: het aantal filmbewerkingen van met name Ivo van Hove, een van onze belangrijkste theatermakers, is bovennatuurlijk groot. Bij Toneelgroep Amsterdam bewerkte hij onder meer filmscenario’s van Ingmar Bergman (Scènes uit een huwelijk, Cries and whispers) en het Italiaanse drieluik Rocco en zijn broers (naar Visconti), Antonioni Project (Antonioni) en Teorema (Pasolini).

Het leverde visueel aantrekkelijke ensceneringen op, vooral vanwege de fraaie beeldtaal en innovatieve techniek, maar ze voegden weinig toe aan het origineel en leverden al met al geen nieuwe inzichten op in de thematiek van de films. Voor sommige van die voorstellingen was het bovendien noodzakelijk vooraf de film te hebben gezien, anders ging de portee ervan geheel verloren.

Ook de andere twee grote regisseurs van het Nederlandse en Vlaamse theater, Johan Simons (NTGent) en Guy Cassiers (Het Toneelhuis), moeten zich door Audi aangesproken hebben gevoeld, omdat ook zij enthousiaste bewerkers van romans en films zijn.

Cassiers regisseerde onder meer Proust 1 tot en met 4 (gebaseerd op de romancyclus A la recherche du temps perdu van Marcel Proust), Anna Karenina (Tolstoj), Hiroshima mon amour (Marguerite Duras) en Onder de vulkaan (Malcolm Lowry). Simons regisseerde recentelijk Hiob (Joseph Roth), Elementarteilchen en Platform (Houellebecq), Drei Farben en Tien Geboden (Kieslowski).

Het theateraanbod wemelt intussen van de boekbewerkingen. Ook de vrije producenten hebben al enige tijd het boek als uitgangspunt voor een toneelstuk ontdekt. Couperus, Multatuli en Haasse werden door Hummelinck Stuurman Theater uitgebracht, binnenkort volgt Bordewijks Karakter.

Eerst het boek, dan de film, dan het toneel – of andersom, zoals nu aan de hand is met Heleen van Royens De Gelukkige Huisvrouw.

Het zal niet lang duren of Kluuns Komt een vrouw bij de dokter krijgt ook een theaterversie – kanker en andersoortige ziektes zijn op dit moment namelijk erg in de mode in het theater.

Het aantrekkelijke aan het bewerken van een film of roman is dat de regisseur zijn creativiteit flink moet aanspreken. Hij moet in het theater oplossingen zoeken voor het verbeelden van locaties, tijden, interne gedachten, los van de klassieke kaders van een bestaand toneelstuk. Maar het gevaar is dat er te veel overhoop wordt gehaald, en de fantasie ongebreideld wordt. Gelukkig heeft het in een aantal gevallen ook iets moois opgeleverd; de Proust-cylcus van Cassiers (met zijn virtuoze verbeelding van de binnenwereld), de Houllebecq-producties van Simons en de Cassavetes-ensceneringen (Faces, Opening Night) van Van Hove behoren tot het beste theater van de afgelopen jaren. Ook omdat hierin de verhaallijnen en vertellingen overeind bleven, de dramatische structuur werd ondersteund door een prachtige vormgeving en de acteurs meer deden dan het naspelen van film- of romanpersonages. Aldus werden deze voorstellingen actueel, met acteurs van vlees en bloed.

Hoewel niet gebaseerd op een klassiek toneelstuk, moeten deze roman- en filmbewerkingen toch ook Pierre Audi kunnen bekoren. Daarbij komt dat zijn angst dat er in het Nederlandse theater te weinig klassiek repertoire wordt gespeeld onterecht is. Dat daarbij nogal eens met de traditie aan de haal wordt gegaan, hoort nu eenmaal bij het Nederlandse theaterklimaat dat avontuurlijk van aard is. Kleinere gezelschappen onderzoeken volop wat de waarde van die traditie vandaag de dag is, en ontdekken dat die niet oubollig hoeft te zijn. De genoemde opvoering van Reigen door Dood Paard is daar een goed voorbeeld van – geen Weense vervallen chique, maar bedompte matrassen. Dit gezelschap, maar ook groepen als ’t Barre Land en Onafhankelijk Toneel, grasduinen graag in het klassieke repertoire en voegen daar eigenzinnige opvattingen aan toe.

De wijze waarop het Nationale Toneel in Den Haag zijn theateraanbod heeft georganiseerd is in dat opzicht interessant. In de grote zaal van de schouwburg worden de (moderne) klassieke stukken gespeeld, in het NTGebouw met twee kleinere zalen, wordt aandacht besteed aan nieuwe schrijvers, in regie van jonge makers of soms oudere makers, die nieuwe wegen zoeken (Franz Marijnen). Zo kan het publiek in de grote zaal op dit moment kiezen voor Tsjechovs De Kersentuin in de ruisende regie van Erik Vos (80) en in de kleine zaal voor het controversiële New Electric Ballroom (regie Suzanne Kennedy, 32). Los van de kwaliteit van de Haagse voorstellingen, die net zo wisselend is als bij de andere grote gezelschappen, zal menig artistiek leider jaloers zijn op deze verschillende stijlen in één toneelhuis.

In een jaar waarin je dus minstens één klassiek toneelstuk per week kunt bezoeken, had Pierre Audi zijn pijlen beter kunnen richten op een andere, bedenkelijker tendens in het theater. Namelijk dat steeds meer gesubsidieerde theatergezelschappen zich richten op voorstellingen met een hoge amusementswaarde. Het Zuidelijk Toneel gaat daarin fier voorop met voorstellingen waarin cabaretiers (NUHR, Van Houts & De Ket) en amuseurs (Bert Visscher) de dienst uitmaken. Het nieuwe jaar wordt door ZT ingezet met de voorstelling Comedy Train – ‘een humoristisch drama over de comedywereld’ met stand-up comedians. Maar ook het Ro Theater met Snorro en DUS met Molières De Ingebeelde Zieke bereiken een groot publiek met virtuoos gemaakte, al dan niet platte lol.

Het werkt overigens wel: al deze voorstellingen zijn voortdurend uitverkocht. In een tijd waarin gezelschappen mede worden afgerekend op de publieksaantallen en eigen inkomsten, zijn die keuzes economisch misschien terecht. Maar dergelijke populaire titels en artiesten kunnen prima zichzelf bedruipen, de vraag is dus of het subsidiegeld daarvoor bedoeld is. Het gesubsidieerde toneel zal zich toch echt duidelijker moeten onderscheiden om zijn bestaansrecht te rechtvaardigen.

Een ander punt van zorg is hoe de acht stadstheaters die begin 2009 van start zijn gegaan zich zullen ontwikkelen. Het is nog te vroeg om het artistieke niveau daarvan te toetsen, maar wel al duidelijk is dat zij zich met name richten op de eigen stad en regio. Het NNT (Groningen) presenteert kerstshows, DUS (Utrecht) gaat de scholen en de wijken in, Oostpool (Arnhem) maakt een Midzomernachtdroom met studenten van de plaatselijke toneelschool en bij het Ro Theater gaan Rotterdamse moeders uit alle windstreken voorstellingsgewijs koken om de integratie te bevorderen. Het is een vorm van regionalisering die ongetwijfeld nuttig is, maar meer van doen heeft met sociaal-maatschappelijk werk dan met cultuur.

Uitzondering is Toneelgroep Amsterdam dat juist bezig is zich internationaal te profileren. En met succes. Terwijl dit seizoen in eigen land vooral begonnen is met reprises (Opening Night, De Getemde Feeks, Kruistochten, Angels in America) reist het gezelschap naar steden als Berlijn, New York en Londen. Onlangs nog werd Romeinse Tragedies een groot succes in het beroemde Barbican Theatre in Londen en Teorema is inmiddels uitgenodigd voor het New York Lincoln Centre Festival 2010.

Komend jaar gaan Toneelgroep Amsterdam en de Schaubühne am Lehniner Platz uit Berlijn hun artistiek leiders uitwisselen. Thomas Ostermeier zal in Amsterdam Spoken van Ibsen regisseren, Van Hove kiest als gastregisseur in Berlijn voor Molières De Misantroop (met Lars ‘Hamlet’ Eidinger in de hoofdrol). Dat is goed nieuws voor Pierre Audi en al die anderen die klassieke toneelstukken in een eigenzinnige opvoering willen zien. Ostermeier heeft met zijn Ibsen-regies en onlangs nog met Hamlet bewezen dat het publiek nieuwsgierig is naar rigoureuze opvattingen van een klassieker. Van Hove maakte, voordat hij zich sterk tot films aangetrokken voelde, zeer persoonlijke producties van stukken van Tennessee Williams, Eugene O’Neill en Shakespeare. Op dit moment regisseert hij weer een klassiek stuk: Zomertrilogie van Carlo Goldoni, dat over twee weken in première gaat.

De allermooiste theaterervaring van het afgelopen jaar was evenwel de opvoering van een andere klassieker: Brechts Mother Courage bij het National Theatre in Londen. In de opwindende, moderne regie van Deborah Warner, met Fiona Shaw in de hoofdrol. Mutter Courage (1941) van Bertolt Brecht – gedateerd, ouderwets, achterhaald. Dacht iedereen. Maar nee, het werd een zinderende voorstelling, een triomf van de fantasie, een ode aan het acteren – vrij, onafhankelijk, brutaal, muzikaal, en aangrijpend.

Aan Pierre Audi de taak deze voorstelling naar zijn Holland Festival te halen. Zodat aanschouwelijk wordt wat de waarde van een briljant opgefrist klassiek meesterwerk kan zijn.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden