Eenzame zusters in bejaardenhuis

Drei Schwestern van Tsjechov door de Volksbühne am Rosa Luxemburg Platz. Regie: Christoph Marthaler. Muziektheater Amsterdam, 23 juni...

THEATER

Met een galmende dreun dondert de antieke pendule in het trapgat. Alle aanwezigen kijken het ding verbijsterd na. Na een paar minuten, als de galm zich herhaalt, drukken ze zich opnieuw reikhalzend tegen de balustrade. Zwijgend en roerloos kijken ze als het ware de tijd na die hun levens heeft opgeslokt.

Drie Zusters van Tsjechov werd ruim honderd jaar geschreven en de zusjes hebben inmiddels hun jeugd verloren. In de Berlijnse versie van het stuk, te gast in het Holland Festival, zijn ze te oud om nog te hopen op een beter leven. Hun dromen - naar Moskou gaan, werken of de grote liefde vinden - worden hier loze echo's van een voorbije jeugd.

De regisseur Christoph Marthaler, ooit musicus en clown, is momenteel het troetelkind van het Duitse theater. Met zijn springerige, muzikale producties, verwant aan de slapstick en vormgegeven als een choreografie, dwingt hij telkens bewondering af. Mede door de zonderlinge ruimtes die worden bedacht door zijn decorontwerpster Anna Viebrock.

Ditmaal is dat een gigantisch trappenhuis waaraan elke logica ontbreekt. Nieuwkomers verschijnen op de hoogste verdieping en de trap zelf leidt regelrecht de kelder in. Hier schuifelen de middelbare zusjes rond temidden van de houterige, dikbuikige, bebrilde mannen waar Marthaler dol op is en die telkens opduiken in zijn producties.

In dit vreugdeloze bejaardenhuis debiteren ze een volzin, barsten uit in gezang of vallen op de vreemdste plaatsen in slaap. Deze Tsjechov wordt bevolkt door types die hoogstens verwijzen naar levende mensen. Olga is de gedoodverfde schooljuf, Masja en haar geliefde Versjinin reiken machteloos naar elkaar. In deze provinciale versuffing verkommeren talent en ambities bij voorbaat.

Ontelbare visuele invallen stofferen het bekende verhaal, zonder dat ze direct voortkomen uit de tekst. Een luitenant danst een duet met een langspeelplaat, de sullige broer raakt verwikkeld in een uitzinnig duel met een deur die hij wil repareren en een vertrekkende overste stort zich met een sierlijke sprong in het trappenhuis.

Al die clowneske gekkigheid zou vrolijk moeten stemmen, maar de grondtoon van deze voorstelling is zo desolaat dat de grappen steeds wranger worden. De dromerige prelude van Chopin, tot in den treure herhaald, wordt uiteindelijk finaal aan flarden gespeeld. Zo rekent Marthaler af met Tsjechovs weemoed.

Hij laat ons de troosteloosheid, de uitzichtloosheid van verloren idealen bijna lijfelijk voelen. Neem het aftandse trappenhuis met de sporen van talloze verbouwingen, het zou zo in Oost-Europa kunnen staan. Iedereen is moe, alles wordt uitgesteld tot morgen. Morgen zullen ze trouwen, morgen zullen ze gaan werken, morgen wordt alles anders.

Die sfeer van leegte en verveling slaat ook terug op de voorstelling zelf. Marthaler rekt het stuk op tot vier uur en die tijd valt vaak hopeloos lang, al wordt je geduld steeds weer beloond. Het is zo'n zeldzame voorstelling die vooral met terugwerkende kracht indruk maakt. Ook in die zin heeft de tijd het laatste woord.

Marian Buijs

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden